In 1983 presenteerde president Ronald Reagan een gedurfd plan: het Strategic Defense Initiative, kortweg SDI. Het idee was een schild dat vijandelijke kernraketten uit de lucht zou halen, deels met lasers vanuit de ruimte. Zijn tegenstanders lachten hem uit. Senator Ted Kennedy doopte het plan spottend “Star Wars”, naar de bekende film, en die naam bleef plakken. Ook een jonge senator Joe Biden hoorde bij de felste critici; hij noemde SDI roekeloos en onverantwoord. De bezwaren waren steeds dezelfde: veel te duur en technisch onmogelijk. In ongeveer tien jaar gaf de Verenigde Staten tot 30 miljard dollar uit, en het schild kwam er nooit. Op het eerste gezicht had Reagan dus ongelijk. Toch was zijn tijd decennia vooruit: een dure dreiging goedkoop onschadelijk maken. Wat toen onmogelijk leek, komt nu uit. Niet tegen kernraketten, maar tegen goedkope drones.
De noodzaak is de moeder van de uitvinding
Een oorlog wordt meestal begonnen met de wapens van de vorige oorlog, maar gewonnen met wapens die pas tijdens die strijd worden uitgevonden. Oorlog is een versneller van innovatie, want noodzaak is de moeder van de uitvinding. De dure Patriot is in dat opzicht het wapen van gisteren, gebouwd tegen grote raketten en vliegtuigen en niet tegen zwermen goedkope drones. De strijd in Oekraïne en de spanningen rond Iran laten pijnlijk zien hoe kwetsbaar dure, centrale wapens zijn tegen goedkope aanvallers in grote aantallen. Juist die druk zorgt dat de ontwikkeling van goedkope verdediging nu in een stroomversnelling raakt.
Het probleem van vandaag lijkt sterk op dat ten tijde van Reagan. Een aanvalsdrone kost soms maar een paar honderd dollar. Het wapen om die drone neer te halen, kost al snel miljoenen. Toch grijpt iedereen naar de populaire Patriot, terwijl één moderne Patriot onderscheppingsraket meer dan 4,2 miljoen dollar kost. Ook goedkopere opties blijven prijzig. Een zwerm van honderd goedkope drones met zulke dure munitie wil tegenhouden, verliest op een gegeven moment economisch de strijd. Niet de schaarste aan wapens, maar het pure aantal maakt deze aanpak op den duur onhoudbaar.
Moderne dronebestrijding bestaat uit drie stappen: detecteren, volgen en uitschakelen. Eerst moet je de drone zien. Dat is lastig, want kleine drones vliegen laag en langzaam en verdwijnen in de ruis van radar en het weer. De klassieke luchtverdediging is gebouwd voor grote, snelle vliegtuigen op grote hoogte en is niet gemaakt voor lage, langzame en kleine” doelen. Daarom draait het niet om één perfecte sensor, maar om een slimme combinatie van radar, camera’s, geluidssensoren en het opvangen van radiosignalen. Kunstmatige intelligentie plakt die informatie razendsnel aan elkaar en bepaalt meteen welk doel het gevaarlijkst is.
De goedkope verdediging wint
En dan komt de laser waar Reagan om werd uitgelachen alsnog van pas. Zodra het systeem genoeg stroom heeft, kost één schot maar een paar dollar. De Amerikaanse marine heeft schepen uitgerust met een laser die een doel tot zo’n tien kilometer afstand kan uitschakelen. In het geval van drones zijn krachtige microgolven nog aantrekkelijker. Die sturen één puls uit die de elektronica van een hele zwerm tegelijk platlegt. In tests schakelde zo’n systeem 61 van de 61 drones uit, waaronder een zwerm van 49 stuks in één klap. De kosten hangen dus af van de puls, niet van het aantal drones.
Nieuwe investeringen in defensie
In de Verenigde Staten gaat er via nieuwe wetgeving 21,2 miljard dollar naar dronetechnologie, waarvan 4,2 miljard direct naar dronebestrijding. De defensiebegroting voor 2027 vraagt om ongeveer 1,5 biljoen dollar, 42 procent meer dan een jaar eerder en de grootste stijging in de moderne geschiedenis. Binnen de NAVO is de toon veranderd: de landen willen samen meer dan 40 miljard dollar in dronebestrijding steken en het aantal drone-operators tot eind 2027 vervijfvoudigen. Ook luchthavens, energiecentrales en andere kwetsbare plekken hebben bescherming nodig tegen drones. Daarmee groeit de markt buiten het slagveld verder. Niet voor niets is dronebestrijding de snelst groeiende hoek binnen de onbemande systemen, met een verwachte groei van meer dan 25 procent per jaar tot 2030.
Bedrijven met slimme radar, verplaatsbare sensoren en sterke software om alle informatie te combineren zijn daarom interessant. Meer sensoren en wapens betekent meer magneten en meer elektronica, en dus meer vraag naar zeldzame aardmetalen. Hoewel elke grote naam uit de defensie-industrie plannen heeft op dit gebied, zit de echte kennis vlakbij conflictgebieden zoals de Oekraïense tech-clusters. In Oekraïne zijn tientalen startups ontstaan die spotgoedkope, mobiele elektronische stoorzenders boeien voor op loopgraven en legervoertuigen. Ook Israëlische bedrijven lopen voorop in elektronische oorlogsvoering en AI-gestuurde detectie, omdat hun systemen dagelijks in de praktijk worden getest. Ook in Zuid-Korea dat sinds juni 1950 nog altijd in oorlog is met Noord-Korea zijn er veel succesvolle bedrijven, ook omdat Zuid-Korea vooroploopt in elektronica en de overheid actief investeert in de dreiging uit het Noorden.
Veertig jaar geleden werd SDI als sciencefiction weggelachen. Reagan had echter gelijk over het idee, alleen te vroeg.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief