“What were you thinking?” De afwaardering van Oracle is dit keer meer dan een simpele herhaling van de dotcom-bubbel. De datacenters zijn reëel. De vraag naar rekenkracht is reëel. Het probleem is timing, schuld en twijfels over de toekomst van AI. Twijfel die nota bene samenvalt met twijfels over software als gevolg van AI. De markt twijfelt aan een winstgevende toekomst van AI, maar tegelijkertijd denkt de markt dat alle softwarebedrijven worden vervangen door AI. Dat kan niet allebei waar zijn.
Wat de machine niet weet
De softwarewereld is bezaaid met systemen die ooit baanbrekend waren en nu sluimerend voortbestaan: COBOL-code bij banken, ouder dan de mensen die hem onderhouden. SAP-installaties zo diep aangepast dat ze de originele software nauwelijks herkenbaar maken. IBM AS/400-systemen waarvan niemand meer precies weet waarom ze zo zijn geconfigureerd. De Microsoft Access-database die ergens op een boekhoudafdeling stiekem de halve bedrijfsvoering draaiende houdt. Al die systemen werden gebouwd door mensen die een reden hadden. Die afwegingen maakten. Die wisten op dat moment, met die informatie, onder die tijdsdruk, waarom ze die beslissing namen.
AI kan inmiddels een verbazingwekkend deel van het migratiewerk uitvoeren. Het analyseert COBOL en vertaalt naar Python. Het leest Solaris-configuraties en stelt Linux-equivalenten voor. Het doorzoekt Java-codebases, converteert StarOffice-macro’s, begeleidt SAP-migraties en schrijft documentatie voor systemen die nooit gedocumenteerd werden. Routinewerk dat vroeger weken kostte, doet AI in uren.
Neem een COBOL-systeem bij een bank, geschreven in 1987. Ergens in die code zit een functie die er op het eerste gezicht vreemd uitziet. Een AI zal die functie netjes vertalen. Maar waarom die berekening er zo uitziet, of het een workaround was voor toenmalige wetgeving, een compensatie voor een floating-point fout in de hardware, of gewoon een beslissing van iemand die allang met pensioen is, dat weet de AI niet. En het vraagt er ook niet naar. Het patroon wordt herkend. De intentie niet.
Dit soort kennis zit niet in broncode. Het zit in de hoofden van de mensen die erbij waren. In e-mails die nooit bewaard zijn gebleven. In vergaderingen waar beslissingen werden genomen op basis van intuïtie, politiek, tijdsdruk, of een goed gesprek bij de koffieautomaat. Software is altijd het product van menselijk redeneren, en dat redeneren laat zich niet extraheren door een systeem dat uitsluitend patronen herkent.
ZFS, het bestandssysteem dat Sun ooit ontwikkelde, is nooit echt vervangen. Het is geporteerd en voortgezet, omarmd door systemen die er beter van werden. Niet omdat niemand het probeerde te vervangen, maar omdat de diepte van de ontwerpbeslissingen zich niet laat nabootsen zonder te begrijpen waarom die beslissingen zo waren. Goed ontwerp begrijp je niet door ernaar te kijken. Je begrijpt het door de alternatieven te kennen die zijn overwogen en verworpen.
De softwareprogrammeur van vlees en bloed die met een mening, met ongeduld, met gevoel voor wat technisch beter kan maar menselijk misschien niet moet, is niet degene die het snelst typt. Dat is allang de machine. De programmeur die waarde toevoegt, is degene die McNealy’s retorische vraag stelt voordat de code wordt geschreven, voordat het budget wordt goedgekeurd, voordat de architectuur wordt vastgelegd.
Wat dacht je hier eigenlijk mee te bereiken? Die vraag is ongemakkelijk. Ze vertraagt. Ze irriteert soms de manager die al een deadline heeft beloofd. Maar ze voorkomt de systemen die over tien jaar niemand meer durft aan te raken, de AI-bouwwerken die op papier imposant zijn maar in de praktijk kraakten onder hun eigen gewicht, en de beurswaarderingen die terugkijkend zo simpel te ontmaskeren waren dat je je afvraagt hoe het überhaupt zo ver kon komen.
Omgekeerde irrationaliteit
Oracle bouwt datacenters die de wereld nodig heeft. Maar de markt vergat even de wetten van de fysica, de realiteit van schuld en de tijd die het kost om digitale ambities om te zetten in betonnen werkelijkheid. Precies zoals beleggers in 2002 vergaten dat Sun niet zonder kosten of belastingen kon opereren. Maar nu dreigt de markt de omgekeerde fout te maken. Op basis van de huidige koers van Oracle en de getaxeerde omzet voor het fiscale jaar 2026 handelt Oracle op een forward price-to-sales ratio van ongeveer 6, onder zijn eigen vijfjaarsgemiddelde van 6,5x, en een fractie van de 18 keer waarop het aandeel in september 2025 piekte. In de tussentijd is het omzetbacklog met 359 procent jaar-op-jaar gestegen naar 455 miljard dollar, en groeit de omzet dit jaar naar verwachting met maar liefst 16 tot 17 procent. McNealy hekelde Sun op 10x omzet als krankzinnig duur. Oracle staat nu op de helft, met een orderportefeuille die de komende jaren gegarandeerde groei vertegenwoordigt.
Nog even, en de opvolger van McNealy kan opnieuw voor een zaal vol beleggers staan. Niet om uit te leggen waarom de waardering absurd hoog was. Maar nu om uit te leggen waarom beleggers softwarebedrijven over een brede linie afschrijven, terwijl mensen ondanks alle machinale steun van kunstmatige intelligentie uiteindelijk keuzes maken die de toekomst bepalen. De afwaardering van softwarebedrijven lijkt een vlaag van gezond verstand, maar het rijp en groen verkopen is even irrationeel als de hoge waarderingen tijdens de dotcombubbel. De markt overdrijft, zowel naar boven als naar beneden. De vraag blijft dezelfde: “What were you thinking?”
McNealy gaf een belangrijke les in 2002 die tegenwoordig dankzij kunstmatige intelligentie ook de essentie van het werk van softwareprogrammeurs raakt. Fouten maken bij beleggen is onvermijdelijk, maar schade blijft beperkt zolang er goed over is nagedacht. Ook daar zal een belangrijk deel van het handwerk worden overgenomen door machines. Dat brengt disruptieve innovatiemogelijkheden, met een groter onderscheid tussen winnaars en verliezers.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via
www.aureus.eu/nieuwsbrief