De keerzijde van intensieve nivellering is dat de financiële prikkel om meer te werken of meer te verdienen voor grote groepen Nederlanders vrijwel verdwijnt. Dit is meetbaar en zichtbaar in alledaagse situaties.
Neem het meest schrijnende voorbeeld: een gezin in de bijstand ontvangt, na alle toeslagen voor huur, zorg en kinderopvang, een besteedbaar inkomen dat nauwelijks verschilt van wat hetzelfde gezin overhoudt bij een bruto jaarsalaris van bijna 60.000 euro door het verlies aan alle toeslagen. De stap van uitkering naar werk levert in zo’n geval per saldo enkele tientjes per maand op, terwijl de inspanning, de reiskosten, de stress en het verlies aan vrije tijd enorm zijn. Rationeel bezien is de keuze om niet te werken economisch begrijpelijk, al is zij maatschappelijk funest.
Het effect is ook zichtbaar bij mensen die al werken. De loonsverhoging die leraren de afgelopen jaren terecht hebben gekregen, werd door het nivelleringsmechanisme grotendeels teruggesluisd naar de schatkist en het toeslagenstelsel. Het netto-effect op het besteedbaar inkomen was teleurstellend klein door de hoge marginale belastingdruk. Het voorspelbare gevolg: leraren zijn niet meer gaan werken, maar juist minder. Zij optimaliseerden hun situatie door minder uren te maken bij een hoger uurtarief. Dat is volledig rationeel gedrag binnen de spelregels van het systeem, maar desastreus voor een arbeidsmarkt die al kampt met structurele tekorten.
Dit verklaart mede waarom Nederland inmiddels wereldkampioen deeltijdwerken is. Meer dan de helft van de beroepsbevolking werkt in deeltijd, een percentage dat nergens anders ter wereld wordt geëvenaard. Culturele voorkeuren spelen een rol, maar de fiscale architectuur van het land maakt van deeltijdwerken simpelweg de meest rationele keuze voor een groot deel van de bevolking.
Een krimpende groep die de welvaart draagt
Al deze mechanismen leiden tot een opmerkelijke en zorgwekkende uitkomst. Wanneer men niet alleen belastingen en toeslagen meeneemt, maar ook het gebruik van collectief gefinancierde voorzieningen zoals zorg en onderwijs, blijkt dat slechts een verrassend klein percentage van de Nederlandse bevolking per saldo meer afdraagt aan de overheid dan het ontvangt. Schattingen variëren, maar het gaat om een minderheid van hoogopgeleide tweeverdieners, zelfstandig ondernemers en hogere inkomens die de netto-financiering van de verzorgingsstaat dragen. Gevolg is dat bij de stembus de overgrote meerderheid die hiervan profiteert, kiest voor het behoud van het huidige systeem waardoor de krimpende minderheid die de welvaart mag betalen het moet afleggen.
Dit is op zichzelf geen probleem, herverdeling is immers het doel van een verzorgingsstaat. Maar het wordt een structureel risico wanneer de betalende groep krimpt. En dat is precies wat er gebeurt. Door deeltijdwerken, door het vertrek van hoogopgeleide Nederlanders naar het buitenland, en door het ontmoedigen van ondernemerschap via steeds hogere belastingdruk, wordt de dragende basis van het systeem smaller. Minder mensen betalen voor dezelfde of zelfs grotere aanspraken van de overige bevolking.
Dit brengt ons bij een van de meest onderschatte inzichten in de economische geschiedenis. De 14e-eeuwse Noord-Afrikaanse geleerde Ibn Khaldun beschreef in zijn Muqaddimah wat wij vandaag de dag kennen als de Laffer-curve en deed dat meer dan zes eeuwen voordat Arthur Laffer zijn beroemde servet volkrabbelde. Ibn Khaldun observeerde dat wanneer belastingtarieven stijgen voorbij een bepaald punt, de belastingopbrengst niet toeneemt maar juist afneemt. Ondernemers stoppen met investeren, productieve burgers verlaten het land of zoeken constructies om belasting te vermijden, en de economische activiteit die de belastingbasis vormde, krimpt.