Het begon met private equity in de jaren tachtig. De decennia daarvoor hadden veel bedrijven zich ontwikkeld tot logge conglomeraten, verzamelingen van uiteenlopende activiteiten die weinig met elkaar te maken hadden. Zolang de rente hoog was en kapitaal schaars, viel die inefficiëntie minder op. Toen de rente begon te dalen, werd duidelijk dat deze structuren waarde vernietigden in plaats van creëerden. Beursgenoteerde aandeelhouders hadden beperkte invloed op het bestuur en de prikkels om bedrijven op te splitsen en te optimaliseren ontbraken. Private equity partijen zagen de kans. Met geleend geld kochten ze conglomeraten op, splitsten ze de onderdelen af, verbeterden de bedrijfsvoering en verkochten de gezonde delen met winst. Wat volgde was een fundamentele herschikking van het bedrijfsleven, aangedreven door partijen die buiten de beperkingen van de beurs opereerden. Nog altijd is private equity veel beter in staat om een bedrijf te veranderen of te transformeren.
Een vergelijkbaar patroon deed zich voor bij private debt. Na de financiële crisis van 2008 werden commerciële banken onderworpen aan strenge regelgeving. Hogere kapitaaleisen en strengere toezichtregels maakten het voor banken minder aantrekkelijk om krediet te verstrekken aan middelgrote ondernemingen of bedrijven met een hoger risicoprofiel. Het gevolg was opmerkelijk: banken wilden eigenlijk alleen nog lenen aan bedrijven die het geld niet nodig hadden. Ondernemingen die wel behoefte hadden aan financiering — voor groei, overnames of herstructurering — kwamen in een vacuüm terecht. Dat vacuüm werd gevuld door private kredietverstrekkers die bereid waren deze leningen over te nemen, tegen hogere vergoedingen en met meer flexibiliteit dan banken konden bieden. Zo werd private debt in korte tijd een van de snelst groeiende segmenten binnen de alternatieve beleggingen.
Bij infrastructuur en vastgoed — de zogenaamde real assets — speelde een andere dynamiek. Overheden beschikten vaak niet over de middelen of de snelheid om grote projecten efficiënt te realiseren. Publiek-private samenwerkingsverbanden boden een oplossing, omdat de markt nu eenmaal sneller en effectiever reageert op veranderende omstandigheden dan de overheid. Tegelijkertijd waren beursgenoteerde vastgoedfondsen steeds meer verworden tot vastgoedbedrijven die zich richtten op projectontwikkeling, beheer en exploitatie, in plaats van directe investeringen in stenen. Beleggers die écht in vastgoed wilden beleggen — in gebouwen, havens of datacenters — moeten dat steeds vaker via private structuren doen.
Het gemeenschappelijke patroon is helder: waar publieke markten faalden of te langzaam reageerden, vulden private markten het gat. De academische kritiek op hoge kosten, gebrekkige transparantie en vertekende rendementsberekeningen is op meerdere punten terecht. De fee-structuren zijn bij de huidige schaal van de industrie moeilijk te rechtvaardigen, de beperkte liquiditeit is een reëel risico en de gemiddelde uitkomst is niet overweldigend. Maar wie alleen naar het gemiddelde kijkt, mist het punt. Er zit veel kaf tussen het koren en de spreiding tussen managers is enorm en blijvend. Fondsen in het bovenste kwartiel presteren structureel beter dan de publieke markt, ook na correctie voor kosten en risico. Het selecteren van de juiste manager is daarmee geen bijzaak, maar de kern van de strategie.
Voor beleggers met een langetermijnhorizon en de discipline om de juiste selectie te maken, blijven private markten een waardevolle aanvulling op een gediversifieerde portefeuille. Niet omdat ze zijn bedacht door een slimme marketingafdeling, maar omdat ze zijn ontstaan uit een reële behoefte die publieke markten niet konden vervullen.