Kapitaaldiscipline en aandeelhoudersrendement gaan voor. Het geld gaat naar LNG en naar olie- en gaswinning. Vanuit puur rendement is daar weinig tegenin te brengen. Duurzame stroom bouwen kost bakken met geld en levert een eigenaar-exploitant relatief weinig op. Shell is nu eenmaal sterk in LNG, diepwaterolie en handel. Daar verdienen ze meer mee, en de winsten zijn beter te voorspellen. Dus verkopen ze de parken en steken het geld in dingen die meer opleveren.
Shell zou toch nooit de Europese groene kampioen worden. Het is een mondiale speler in LNG, handel en winning. Dat ze zo snel van die groene activa af wilden, zegt eigenlijk iets ongemakkelijks over Europa: het rendement was er simpelweg niet.
Ook de chemietak ligt onder de loep. Partnerschappen in de VS, en in Europa zelfs sluitingen op tafel. Chemie vreet energie, en Europese energie is duur. Samen duwt dat de marges naar bijna niets, of eronder. Als een product in een dure, zwaar gereguleerde regio nauwelijks iets oplevert, stop je er beter mee.
Is het redelijk om van een oliebedrijf te verwachten dat het zichzelf omvormt tot een groen nutsbedrijf? Waarschijnlijk niet. Dit is geen weigering om schoon te zijn. Shell ziet LNG nog steeds als tussenstap en houdt plannen in waterstof, duurzame vliegtuigbrandstof en schone mobiliteit. Wat het afwijst, is de omslag naar een totaal ander bedrijf, dat wind- en zonneparken bouwt en beheert tegen een veel lager rendement. Verwachten dat een handels- en diepwaterbedrijf daarin zou uitblinken, was altijd meer hoop dan plan.
TotalEnergies gelooft nog wel in die multi-energiedroom. In plaats van uit te stappen, koopt het juist op wat Shell afstoot. Olie en gas dienen als geldmachine om de overstap naar elektriciteit te betalen. En anders dan Shell, dat liever stroom verhandelt, wil Total de hele keten bezitten: van windpark tot batterij tot laadplein. Ze mikken op een rendement op kapitaal van rond de twaalf procent.
Een Nederlands zonnepark verandert niet omdat er straks een Frans logo op staat. De panelen leveren nog steeds het meest wanneer stroom het goedkoopst is. Dat blijft de zwakke plek van losse duurzame projecten. Bij Total staat opwekking naast handel, levering en opslag, met schaal en expertise die Shell nooit ging opbouwen.
En zodra een park klaar is, verkoopt Total een deel weer door. Op dezelfde dag dat het Shells portefeuille kocht, verkocht het de helft van een aparte portefeuille van 1,2 gigawatt aan KKR, goed voor 1,8 miljard euro. Een afgebouwde, volledig gecontracteerde portefeuille gedraagt zich als infrastructuur: langlopende contracten, stabiele, obligatie-achtige rendementen van zo’n zeven tot tien procent. Omdat die kasstromen zo voorspelbaar zijn, kun je ze tot ongeveer tachtig procent met geleend geld financieren. Doe je dat, dan komt het rendement op eigen vermogen weer in de dubbele cijfers. Total is eigenlijk vooral een projectontwikkelaar. Het neemt het bouwrisico, verkoopt de veilige kasstroom en steekt het geld weer in het volgende project. Waarom? Om geld te verdienen. Meer is het niet.
Impact op de koers
De koersen van beide bedrijven reageerden nauwelijks. De bedragen zijn klein: een paar honderd miljoen tot misschien een miljard euro. Shell is zo’n 210 miljard waard, Total rond de 195 miljard. Minder dan een half procent van beide bedrijven. Shell steeg een fractie, Total bleef vlak.
Maakt het beleggers iets uit? Alleen op één punt: rendement. De markt beloonde Shell niet omdat het groen was, en strafte het niet af omdat het een stap terugdeed. De markt keek waar kapitaal het meeste oplevert, en ging verder. Uiteindelijk doen beide reuzen hetzelfde, alleen vanuit tegengestelde hoeken. Ze maken van de energietransitie een wedstrijd over wie het beste rendement op kapitaal haalt. En dat, niet de kleur van de stroom, is wat de koers beloont.