Vergelijken met de beurs
Een belangrijke vraag is: doet private equity het beter dan gewone aandelen? Dat vergelijken is lastig. Bij aandelen kun je elke dag zien wat ze waard zijn en wordt het rendement tijdgewogen berekend. Bij private equity niet. Daarvoor is de PME-methode ontwikkeld, de Public Market Equivalent. Je doet alsof je hetzelfde geld op dezelfde momenten in een beursindex stopt, bijvoorbeeld de S&P 500 of de MSCI World. Elke kapitaalopvraging van het private equity fonds wordt gespiegeld als een hypothetische aankoop in de index. Zo krijg je twee vergelijkbare IRR’s.
Als de IRR van het private equity fonds hoger is dan de IRR van de hypothetische beursportefeuille, heeft het fonds het beter gedaan dan de markt. Er is ook een verbeterde versie: de PME+. Die lost een technisch probleem op dat ontstaat als een fonds vroeg grote bedragen uitkeert. De PME+ schaalt de uitkeringen met een correctiefactor totdat de eindwaarde van de hypothetische beursportefeuille gelijk is aan de restwaarde van het private equity fonds.
De vergelijking met Amerikaanse aandelen
Private equity wordt vaak vergeleken met Amerikaanse aandelen. En dan is de conclusie soms: private equity doet het niet beter. Maar die vergelijking is niet helemaal eerlijk. Allereerst wordt er in de vergelijking leverage toegepast op het rendement van beursgenoteerde aandelen, om de leverage met private equity ‘gelijk’ te trekken. Maar het werken met geleend geld op de beurs is een wezenlijk anders en hoger risico dan de in convenanten vastgelegde leverage bij private equity.
Verder doen Amerikaanse aandelen het extreem goed sinds de Grote Financiële Crisis van 2008. Dat komt voor een belangrijk deel door juist de tucht van private equity. Beursgenoteerde bedrijven hebben geleerd van private equity en voelen ook steeds meer de hete adem van private equity in hun nek, vooral in de VS. Ze zijn daardoor scherper gaan letten op kosten en efficiëntie. Daar kwam iets bij: de extreem lage rente. Bedrijven konden goedkoop geld lenen. Dat geld gebruikten ze om eigen aandelen terug te kopen. Door die inkoop steeg de winst per aandeel en daarmee de koers. De grootste kopers op de Amerikaanse beurs waren jarenlang de bedrijven zelf.
Dus als je private equity vergelijkt met Amerikaanse aandelen, vergelijk je eigenlijk appels met appels. De hoge rendementen op de beurs zijn mede te danken aan technieken die uit de private equity wereld komen. Zonder private equity had de beurs het waarschijnlijk minder goed gedaan.
Context is alles
Geen enkel getal vertelt het hele verhaal. Een rendement van twintig procent in een crisisjaar is heel wat anders dan hetzelfde rendement in een goed jaar. Het maakt ook uit in welk land of welke sector het fonds belegt. Bij private equity zijn de verschillen tussen goede en slechte fondsen enorm, veel groter dan bij gewone beleggingen. Het kiezen van de juiste manager is daarom cruciaal.
Kijk nooit naar maar één getal. De IRR zegt iets over snelheid en tijdwaarde, maar kan misleiden door de herinvesteringsaanname en hefboomwerking. Let op het verschil tussen bruto en netto. De multiples zeggen iets over totaal rendement, maar de RVPI is een schatting. Kijk vooral naar de DPI om te zien wat er echt is uitbetaald. De PME vergelijkt met de beurs, maar die vergelijking is niet altijd eerlijk.
Het beste is om al deze maatstaven samen te bekijken. Door IRR, multiples en PME te combineren met kennis van de marktomstandigheden krijg je het meest complete beeld. Alleen zo kun je bepalen of een private equity fonds echt goed heeft gepresteerd, of dat het gewoon meeliftte op goede tijden.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief