Het is weer die tijd van het jaar waarin vergelijkingen kunnen worden gemaakt op het gebied van de resultaten van het afgelopen jaar. Het maken van vergelijkingen is de afgelopen jaren verbeterd door de beschikbaarheid van data, maar toch blijft er altijd het risico bestaan dat er appels met peren worden vergeleken.
Resultaten Auréus
Eerst maar eens de cijfers van Auréus. Deze worden elk kwartaal bijgewerkt en zijn ook te vinden op de pagina beursbeleggingen, specifiek onder de benadering Individueel. Hier worden de bruto rendementen weergegeven. Dit zijn in dit geval de rendementen vóór kosten van Auréus, aangezien deze afhankelijk zijn van de omvang van het belegde vermogen en het type dienstverlening. Alle indirecte kosten zijn wel meegenomen.
Het gaat om ‘live’ portefeuilles, geen theoretische modellen. Er bestaan onder de individuele benadering twee soorten individuele portefeuilles: een portefeuille met uitsluitend Europese en Amerikaanse individuele aandelen, en een portefeuille met exact dezelfde aandelen, aangevuld met indexbeleggingen in Japan, Azië, opkomende markten (Emerging Markets) en smallcaps. Deze aanvullende beleggingen vormen samen een derde van de portefeuille.
Verschillende benaderingen
Naast de individuele benaderingen is er een actieve benadering, die in de eerste plaats gericht is op het bereiken van een zo hoog mogelijke Sharpe-ratio. Dit klinkt misschien vrij technisch, maar de gedachte achter deze benadering is ‘winnen door niet te verliezen’. In de afgelopen twee jaar lagen de risico’s meer aan de bovenkant en waren de rendementen bovengemiddeld positief. In 2022 wisten we echter de verliezen in deze benadering te beperken. In een neutraal profiel werd in de actieve benadering over de afgelopen vijf jaar dan ook de hoogste Sharpe-ratio behaald.
De marktfactorbenadering is een alternatief voor een indexbelegging. Er wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke information ratio. In de praktijk betekent dit portefeuilles die relatief dicht bij de index blijven en proberen de index te verslaan door het oogsten van factorpremies. Tot slot zijn er de SRI-individuele portefeuilles. Bij elkaar zijn er dus in totaal vijf verschillende benaderingen.
Bruto- versus netto rendementen
De rendementen die in de markt worden vergeleken, zijn vaak nettorendementen. Omdat deze kosten per belegger afhankelijk zijn van de omvang van het vermogen en de exacte dienstverlening, is hier rekening gehouden met het standaardtarief voor een cliënt met een relatief klein vermogen. Met andere woorden: in de praktijk zullen de kosten eerder dalen dan stijgen.
De kosten zijn wel afhankelijk van het type dienstverlening. In de praktijk wordt vaak een vergelijking gemaakt tussen online indexbeleggingen en beleggingen inclusief dienstverlening op het gebied van vermogensbeheer. Zie ook de eerder verschenen column over de toegevoegde waarde van een vermogensbeheerder.
Vergelijking met de markt
In de tweede tabel hiervoor worden de rendementen vergeleken met de markt. Voor een neutraal profiel wordt uitgegaan van een strategische weging van 50 procent aandelen en 50 procent obligaties. Voor een zeer offensief profiel bedraagt de strategische weging van aandelen 92,5 procent.
Voor aandelen wordt vergeleken met de MSCI All Countries IMI-index, maar hier kan uiteraard niet direct in worden belegd. Daarom wordt in dit geval gebruikgemaakt van een indextracker die deze index volgt. Wat opvalt in Nederland, is dat de verschillen tussen aanbieders van indexbeleggingen vaak groter zijn dan die tussen actieve vermogensbeheerders. Dit is vrijwel uitsluitend te verklaren door een bepaalde actieve selectie binnen zo’n index.
Voor obligaties wordt gebruikgemaakt van de Vanguard Global Bond Index, euro-hedged. Verder is beleggen in indextrackers en indexfondsen vaak niet kosteloos. Daarom is er in de netto-nettovergelijking rekening gehouden met 30 basispunten aan kosten.
De ontwikkeling van de markt is zoals aangegeven gebaseerd op strategische wegingen van breed gespreide indexbeleggingen. Het gemiddelde van vermogensbeheerders is gebaseerd op een gelijk gewogen gemiddelde van openbaar beschikbare rendementen van vermogensbeheerders in Nederland.
Conclusies
Wat opvalt over 2024 is dat de verschillen tussen de verschillende benaderingen van Auréus niet zo groot zijn. Dat heeft onder andere te maken met het actieve risicobeheer, waarbij we veel aandacht hebben besteed aan het actieve gewicht van de ‘Magnificent Seven’ in de index. Dit was vorig jaar een belangrijke bepalende factor voor het rendement.
Overigens blijkt ook hier dat de keuze voor een bepaalde index een grote invloed heeft op het rendement, wat de grote verschillen tussen diverse indexbeleggers kan verklaren. Verder zijn er nog altijd veel actieve vermogensbeheerders met een home bias. Dit betekent dat er relatief veel wordt belegd in Nederland of Europa, terwijl Europa vorig jaar de slechtst presterende regio was. Hierdoor mistte men niet alleen een aanzienlijk deel van de ‘Magnificent Seven’, maar ook een groot deel van de al jaren beter presterende Amerikaanse aandelenmarkt.
Tot slot vallen de tegenvallende rendementen van duurzame vermogensbeheerders op. Soms verklaren deze partijen de tegenvallende prestaties doordat er niet in wapens mag worden belegd, maar mijn stellige indruk is dat veel andere beheerders dat ook niet doen. In Nederland is het bovendien bij wet verboden om te investeren in controversiële wapens.
Wel zijn er grote verschillen binnen duurzame beleggingen. Tegenover zieltogende duurzame bedrijven die moeite hebben om het hoofd boven water te houden als gevolg van de gestegen rente, staan florerende grote techbedrijven die, mede dankzij een eigen Chief Sustainability Officer, prima presteerden.
Lange tijd rekende Nederland met vier procent. Pensioenfondsen gingen ervan uit dat hun beleggingen gemiddeld dat rendement haalden. Toekomstige uitkeringen