De S&P 500 heeft afgelopen maand voor de 53e keer dit jaar een all-time high bereikt. November was de beste maand van het jaar, met een stijging van 5,3 procent. Voor de liefhebbers: gelijk gewogen steeg de S&P 500 in november met 6,2 procent. Voor het eerst sinds 1998 lijkt de index op weg om twee jaar op rij met meer dan 20 procent per jaar te stijgen. De S&P 500 staat (in dollars) nu 27 procent hoger dit jaar. Dankzij de goede prestaties van Amerikaanse aandelen staat ook de wereldindex (MSCI ACWI IMI) meer dan 25 procent hoger, mede geholpen door de stijgende euro.
Wat volgt er nu voor de S&P 500?
In 2023 steeg de S&P 500 met 24 procent. Dit jaar ligt het stijgingspercentage tot nu toe hoger. In de afgelopen 100 jaar is het slechts vier keer voorgekomen dat de S&P 500 in twee opeenvolgende jaren elk jaar met meer dan 20 procent steeg (let op: dit is op basis van prijs, niet totaal rendement).
Historisch gezien geven deze uitzonderlijke jaren een gemengd beeld voor het derde jaar:
Jaren 20 en 30: Na de sterke jaren 1927 en 1928 volgde 1929, met Black Monday als dieptepunt. Na 1935 en 1936 kwam een diepe recessie, precies op het moment dat de New Deal de economie weer op gang leek te brengen.
Jaren 50 en 90: In 1954 en 1955 kon de index in het derde jaar nog lichte winst boeken, aan het einde van de sterke rally na de Tweede Wereldoorlog. Na 1995 en 1996 steeg de index drie jaar door tot de piek in 2000, waarna drie verliesjaren volgden. Eind 1996 waarschuwde Greenspan nog voor ‘irrational exuberance’, maar dat bleek achteraf slechts het startschot voor een ongekende hausse.
Het “Goudhaartje”-scenario
De huidige hausse op de S&P 500 lijkt het meest op die van 1995 en 1996. Ook toen was er sprake van een zachte landing, sterke economische groei en relatief lage inflatie, mede door stevige productiviteitsgroei. De rente bleef destijds langer hoog. Opvallend genoeg zijn de waarderingsniveaus nu vergelijkbaar met die tijd.
Hoewel de “Magnificent Seven” aandelen dit jaar fors zijn gestegen, blijven hun waarderingen ver onder de piek van de dotcombubbel. In de jaren 90 werd het sprookje van Goudhaartje gebruikt om de perfecte economische omstandigheden te beschrijven: niet te warm, niet te koud. Een ideale omgeving voor aandelen. Toch bleek het toen nog beter te kunnen.
Meest vergelijkbare scenario
De inflatie in de jaren 90 verbleekt bij die van de afgelopen jaren. Deze hoge inflatie heeft veel onrust veroorzaakt bij consumenten. Niet voor niets verloren zittende partijen in vrijwel elk ontwikkeld land met verkiezingen dit jaar. Inflatie is nu eenmaal een ‘president killer’.
Toch is de inflatie onder controle gekomen zonder een recessie. Centrale bankiers lijken wonderdokters, vooral gezien de monetaire gekte van de afgelopen jaren. Met de inflatie in toom en groei die sterker lijkt dan verwacht, zijn lagere risicopremies en hogere waarderingen mogelijk. Een scenario van drie jaar “über-Goudhaartje” lijkt aannemelijk en blijft het basisscenario.
Spreiding als bescherming
Een extra positief beursjaar vergroot de kans op een correctie. Greenspan dacht met zijn “irrational exuberance”-speech dat het moment van daling nabij was, maar miste veel opwaarts potentieel. Spreiding blijft daarom essentieel. Destijds kon dit door te focussen op zowel de oude als de nieuwe economie. Nu is het nog makkelijker, omdat de stijging vooral door de grootste tech-aandelen wordt gedragen.
Bovendien zijn er meer mogelijkheden om te spreiden. Ook op private markten zijn aantrekkelijke rendementen haalbaar, vaak met minder risico dan aandelen.
Sinds begin juni beweegt de beurs vooral zijwaarts. Nu lijkt daar voorzichtig een einde aan te komen. De winsten van bedrijven zijn al die tijd gestegen, maar de koersen bleven bijna gelijk.