Het idee was even simpel als aantrekkelijk. Geef een arme marktkoopvrouw een kleine lening, en zij bouwt daarmee een bedrijfje op dat haar uit de armoede tilt. Muhammad Yunus goot dit principe in de Grameen Bank en kreeg er in 2006 de Nobelprijs voor de Vrede voor. Microkrediet werd het lievelingskind van de ontwikkelingssector: markt en moraal leken eindelijk dezelfde kant op te wijzen. Wie tegen armoede was, was vóór microkrediet. Ook in Nederland vonden impactfondsen gretig aftrek onder beleggers die hun geld iets goeds wilden laten doen.
Waar microkrediet misgaat
De praktijk bleek weerbarstiger. Kleine leningen beheren is duur, want elke klant vraagt om persoonlijk contact en opvolging. Die kosten drukken de rente omhoog, en tarieven boven de dertig procent per jaar zijn geen uitzondering. Yunus zelf waarschuwde al voor instellingen die meer dan vijftien procent boven hun financieringskosten rekenden. Toen durfkapitaal en beursnoteringen de sector ontdekten, verschoof de prikkel bovendien van armoedebestrijding naar groei. En groei betekende meer leningen, aan meer mensen, sneller. Kredietverstrekkers gaven klanten een tweede en derde lening om een eerste af te lossen. Zo ontstond precies wat het instrument zou voorkomen: een schuldenval.
Een schuld die generaties overleeft
Hoe diep die val kan zijn, laat het platteland van centraal India zien. Daar werd het verhaal opgetekend van een boerengezin waarin de vader zijn lening niet kon terugbetalen en een einde aan zijn leven maakte. De schuld verdween daarmee niet, maar verschoof naar zijn weduwe. Toen ook zij na jaren geen uitweg meer zag, erfde hun zoon wat er nog openstond. Een schuld die twee begrafenissen overleefde: dat is de werkelijkheid achter de folder.
Zulke drama’s zijn geen incidenten. Al in 2005 en 2006 sloot de Indiase overheid vestigingen van microfinancieringsinstellingen wegens onethische incasso, beslag op spaargeld en te hoge rentes. De sector groeide gewoon door. In 2010 was het gemiddeld geleende bedrag per huishouden in de deelstaat Andhra Pradesh verdrievoudigd, en klanten met leningen bij vijf of meer verstrekkers tegelijk waren geen zeldzaamheid. Toen die zeepbel barstte, stegen de zelfdodingen mee. In sommige Indiase deelstaten is schuld inmiddels de oorzaak van vier op de vijf zelfdodingen onder boeren.
Cambodja laat zien dat de les niet is geleerd. Westers ontwikkelingskapitaal stroomde jarenlang de sector in. Eén instelling investeerde tussen 2016 en 2021 meer dan 438 miljoen dollar, ondanks eerdere waarschuwingen over overkreditering. Leningen gingen naar mensen die de taal van het contract niet lazen, voor bedragen die hun draagkracht ver oversteeg, met hun grond als onderpand. Wie niet kon betalen, verloor alles.
Hoe de bijna perfecte terugbetaling tot stand komt
Beleggers krijgen graag één geruststellend cijfer te horen: bijna iedereen betaalt terug. Dat klinkt als bewijs dat het systeem werkt. In werkelijkheid is die hoge terugbetaling geen teken van welvaart, maar het gevolg van druk. Veel microkrediet leunt op groepsaansprakelijkheid, waarbij leden van een groep garant staan voor elkaars leningen. Mist iemand een betaling, dan spreekt de incasseerder niet alleen hem aan, maar ook zijn groepsgenoten, familie en buren. Medewerkers praten uren aan één stuk op een wanbetaler in, net zolang tot er wordt betaald. Een gemiste betaling wordt zelden geaccepteerd; vaak gelden alleen migratie, droogte of ernstige ziekte als geldige reden. Een misoogst of een ingestorte marktprijs telt niet. En wie eenmaal in gebreke blijft, komt op een zwarte lijst en krijgt nooit meer krediet.
Zo betaalt vrijwel iedereen, desnoods door minder te eten, grond te verkopen of elders bij te lenen. De bijna perfecte terugbetaling die beleggers zo geruststelt, is dus precies het probleem. Bovendien is wanbetaling een achterlopende indicator: ze wordt pas zichtbaar als het al te laat is. En het patroon herhaalt zich. In India daalde het aantal nieuwe verstrekkingen in het voorjaar van 2025 met bijna zestig procent ten opzichte van de piek een jaar eerder, nadat overkreditering de probleemleningen had opgestuwd. Te snelle groei, gevolgd door een pijnlijke kater.
Wat blijft er aan de strijkstok hangen?
Nergens wordt de scheefheid zichtbaarder dan bij het rendement. De Nederlandse belegger die via een fonds in microkrediet stapt, krijgt doorgaans niet meer dan één à twee procent per jaar. De leningnemer aan de andere kant van de keten betaalt met gemak het tienvoudige. Tussen die twee uitersten zit een lange rij van kosten: valutarisico, lokale kredietverstrekkers, fondsbeheerders, distributeurs en toezichthouders. Elke schakel neemt zijn deel. Dat een marktkoopvrouw vijftien tot twintig procent betaalt terwijl de spaarder in Nederland één procent overhoudt, laat zien waar het geld werkelijk blijft hangen: niet bij haar en niet bij hem, maar in de machinerie ertussen. Zo veel blijft er aan de strijkstok hangen dat de vraag terecht is voor wie dit product eigenlijk werkt.
Microkrediet wordt verkocht als duurzaam in twee betekenissen: goed voor de wereld én houdbaar op termijn. Het is vaak geen van beide. De Nederlandse belegger financiert met zijn inleg mede de groeidruk en de incassomachine die tot deze misstanden leiden, en houdt er zelf één à twee procent aan over. De geruststellende cijfers in de fondsbrochure, met de bijna volledige terugbetaling voorop, zijn niet het bewijs dat het goed gaat. Ze zijn juist het rode vlaggetje.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief