Industriële renaissance
15 augustus 2026
In Azië staan de fabrieken van de wereld. Dat is onder andere het gevolg van de jarenlange zoektocht naar lagelonenlanden. Neem een willekeurig bedrijf dat in de jaren tachtig drie fabrieken had: één in de VS, één in Europa en één in Azië. Wanneer tijdens een recessie de vraag tegenviel, moest de duurste fabriek sluiten en die stond vrijwel gegarandeerd in de VS of Europa, maar nooit in Azië. Als de economie weer aantrok, werd de productielocatie in Azië uitgebreid. Het gevolg was dat banen verdwenen in de VS en Europa en erbij kwamen in Azië. Wie alleen naar de eigen regio keek en de economie zag groeien, maar niet het aantal banen, sprak al snel over baanloze groei.
Nu keren fabrieken gedeeltelijk terug uit Azië en volgt er een periode van herindustrialisatie. Opeens biedt de industrie weer kansen voor Amerikaanse en Europese beleggers. Dat komt door een combinatie van geopolitieke spanningen, technologische ontwikkelingen en overheidsbeleid. Het gaat daarbij niet om een volledige terugkeer van alle productie. Daarvoor zijn de loonkosten in het Westen simpelweg te hoog. Maar de afweging tussen kosten en risico’s is wel veranderd.
De belangrijkste reden zijn de problemen en zorgen rond leveringszekerheid. Het principe van just-in-time werd tijdens de coronacrisis maar al te vaak just-in-case. Lange toeleveringslijnen die waren ontworpen om precies op het juiste moment te leveren, bleken kwetsbaar wanneer één leverancier uitvalt of een transportverbinding wordt afgesloten. Als er slechts één leverancier is en die ook nog eens aan de andere kant van de wereld zit, heeft de afnemer weinig alternatieven.
Na de pandemie kwam daar de oorlog in Oekraïne overheen. Daardoor werd nog duidelijker welke risico’s ontstaan wanneer een bedrijf of een land voor een cruciaal onderdeel afhankelijk is van één leverancier of één land. Vervolgens kwamen problemen met transport door onder andere het Suezkanaal en de Straat van Hormuz. Bedrijven zijn daardoor steeds meer bereid om iets meer te betalen voor een productie die dichter bij de eigen afzetmarkt ligt.
Dat betekent niet dat alles weer lokaal wordt geproduceerd. Wel wordt de toeleveringsketen minder afhankelijk van één land. Bedrijven zoeken naar meerdere leveranciers, houden meer voorraden aan en brengen een deel van de productie dichter bij huis. Reshoring en nearshoring zijn daarmee geen tijdelijke modeverschijnselen, maar onderdeel van een bredere herziening van de mondiale productieketens.
Een voorwaarde is wel dat het werk dat nu nog in Azië gebeurt voor een belangrijk deel wordt overgenomen door automatisering en robotisering. Alleen daarmee kan de kostenhandicap van het Westen worden gecompenseerd.
Overheid wil industriële onafhankelijkheid
Er is ook een duidelijke prikkel vanuit de overheid om bedrijven lokaal te laten produceren. Nog niet zo lang geleden kwamen vrijwel alle geavanceerde chips uit Taiwan. Inmiddels zijn halfgeleiders zo belangrijk geworden voor kunstmatige intelligentie, defensie en de digitale economie dat vrijwel iedere grote economische regio zijn eigen chipindustrie wil hebben.
Dat geldt niet alleen voor chips. Ook voor batterijen, kritieke grondstoffen, medicijnen, defensiematerieel en allerlei onderdelen van infrastructuur willen overheden minder afhankelijk zijn van het buitenland. Industriële autonomie is daarmee een strategisch doel geworden.
In de Verenigde Staten is dat zichtbaar in subsidies en belastingvoordelen voor nieuwe fabrieken. Europa probeert hetzelfde, al is de aanpak hier vaak minder krachtig en versnipperd. China is al veel langer bezig om voor strategische sectoren de afhankelijkheid van het buitenland te verminderen.
Voor beleggers betekent dit dat overheidsuitgaven een steeds grotere rol spelen in de investeringscyclus. De vrije markt bepaalt niet meer alleen waar een fabriek komt te staan. Subsidies, belastingvoordelen, handelsbeperkingen en geopolitieke risico’s worden steeds belangrijker in de beslissing waar nieuwe productiecapaciteit wordt gebouwd.
Europa heeft een energieprobleem
Die industriële onafhankelijkheid is vooral op het gebied van energie ingewikkeld. Europa is daarvan een pijnlijk voorbeeld. Eerst waren Europese landen sterk afhankelijk van Russisch gas. Vervolgens moest LNG uit onder andere de Verenigde Staten en Qatar het tekort opvangen. Maar ook dat maakt duidelijk dat energie uiteindelijk een strategische grondstof blijft.
De energie-intensieve industrie heeft weinig aan industriële autonomie als energie in Europa structureel veel duurder is dan in andere delen van de wereld. Een staalfabriek, chemisch bedrijf of producent van kunstmest kan niet jarenlang concurreren met een fabriek in een regio waar elektriciteit en gas veel goedkoper zijn.
Daar zit een belangrijk dilemma voor Europa. De wens om productie terug te halen naar Europa botst soms met de hoge kosten van energie en de ambitie om tegelijk snel te verduurzamen. Europa kan wel groene productie aanbieden, maar zolang groene energie duurder is dan energie uit fossiele bronnen elders, is dat geen vanzelfsprekend concurrentievoordeel.
Juist daarom wordt de lokale energievoorziening een belangrijke bottleneck voor de industriële renaissance. Nieuwe fabrieken vragen niet alleen om grond en personeel, maar vooral om betrouwbare en betaalbare elektriciteit. Het elektriciteitsnet moet worden uitgebreid en verzwaard en er moeten voldoende productiecapaciteit en opslagmogelijkheden komen.
Robots maken productie in het Westen weer mogelijk
De fabrieken uit Azië hierheen halen is vanwege de hoge personeelskosten lange tijd vrijwel onmogelijk geweest. Gelukkig zijn de ontwikkelingen op het gebied van automatisering, robotisering en kunstmatige intelligentie inmiddels ver genoeg om ook in het Westen relatief goedkoop te kunnen produceren.
Dat verandert bovendien het soort fabriek dat we nodig hebben. Een moderne fabriek hoeft niet langer duizenden mensen aan de lopende band te hebben. Een groot deel van het werk kan worden uitgevoerd door robots, terwijl mensen zich bezighouden met onderhoud, programmering, kwaliteitscontrole en logistiek.
Daar komen nog andere voordelen bij. Bedrijven zitten dichter bij hun afzetmarkt en hebben minder voorraad nodig omdat de aanvoerlijnen korter zijn. Een fabrikant van kleding hoeft bijvoorbeeld niet meer maanden van tevoren te bepalen hoeveel producten hij voor een heel seizoen nodig heeft. Als productie dichter bij de klant plaatsvindt, kan veel sneller worden gereageerd op veranderingen in de vraag.
Dat betekent niet dat alle productie terugkomt. Voor eenvoudige, arbeidsintensieve producten blijft Azië waarschijnlijk goedkoper. Het gaat vooral om producten waarbij leveringszekerheid, snelheid, automatisering en strategisch belang zwaarder wegen dan alleen de loonkosten.
Defensie als nieuwe industriële motor
Een nieuwe dimensie zijn de hogere defensie-uitgaven. Europese landen en de Verenigde Staten moeten hun defensiecapaciteit uitbreiden. Dat zorgt voor nieuwe orders die steeds meer naar de eigen defensie-industrie gaan.
Het kan zijn dat bepaalde onderdelen nog uit het buitenland komen, maar steeds vaker worden daar compensatieorders of eisen aan lokale productie aan verbonden. Ook hier speelt het argument van strategische onafhankelijkheid.
Defensie heeft bovendien een bijzondere positie binnen de economie. Oorlogen beginnen vaak met wapens die al jaren beschikbaar zijn, maar worden uiteindelijk beslist met nieuwe technologie. De noodzaak om sneller, goedkoper en nauwkeuriger te kunnen produceren stimuleert innovatie. Denk aan drones, sensoren, satellieten, elektronische oorlogsvoering en autonome systemen.
Veel van die technologieën vinden uiteindelijk hun weg naar de civiele economie. Radar, GPS en internet zijn bekende voorbeelden van technologieën die mede door militaire toepassingen zijn ontwikkeld. De huidige investeringen in drones, kunstmatige intelligentie en robotica kunnen opnieuw voor dergelijke spin-offs zorgen.
Wie profiteert van de industriële renaissance?
Bedrijven die deze herindustrialisatie mogelijk maken, kunnen daarvan profiteren. Het gaat niet alleen om fabrikanten van robots. Ook producenten van industriële software, sensoren, halfgeleiders, machines, transformatoren en elektriciteitsnetwerken zijn nodig.
Een nieuwe fabriek begint immers niet bij de productielijn. Eerst moet er grond zijn, vervolgens infrastructuur, elektriciteit, water, logistiek en uiteindelijk de machines die de productie mogelijk maken.
Daarbij komt een nieuwe categorie technologie: physical AI. Kunstmatige intelligentie verlaat daarmee de computer en wordt onderdeel van machines en robots die daadwerkelijk in de fysieke wereld opereren. Robots kunnen niet alleen meer een vaste handeling uitvoeren, maar dankzij AI steeds beter hun omgeving waarnemen en daarop reageren.
Dat kan een belangrijke schakel worden in de herindustrialisatie. Robots zijn niet langer alleen een manier om menselijke arbeid te vervangen. Ze kunnen productie flexibeler maken en het mogelijk maken om ook in landen met hoge lonen concurrerend te produceren.
De bottleneck kan echter juist buiten de fabriek liggen. Nieuwe productielocaties vragen veel meer elektriciteit, terwijl het lokale elektriciteitsnet daar vaak niet op is voorbereid. Ook logistiek worden hogere eisen gesteld. Meer fabrieken in Europa en de VS betekent meer behoefte aan spoor, havens, opslag en transport.
De industriële renaissance gaat daarom niet alleen over nieuwe fabrieken. Er moet een hele infrastructuur omheen worden gebouwd.
Een nieuwe industriële cyclus
De globalisering van de afgelopen decennia draaide vooral om efficiëntie. Waar kan een product het goedkoopst worden gemaakt? De komende jaren wordt een andere vraag belangrijker: waar kan een product betrouwbaar en strategisch veilig worden gemaakt?
Dat betekent niet dat globalisering verdwijnt. Azië blijft de belangrijkste productieregio ter wereld en veel productie zal daar blijven. Maar het tijdperk waarin bedrijven zonder veel nadenken één wereldwijde leverancier kozen omdat die de laagste prijs bood, lijkt voorbij.
Voor de westerse industrie betekent dit een nieuwe kans. Hogere lonen hoeven niet langer een onoverkomelijk probleem te zijn als robots een groot deel van het werk overnemen. Geopolitiek zorgt ervoor dat overheden bereid zijn een deel van de hogere kosten te dragen en de ontwikkeling van nieuwe technologie maakt lokale productie steeds efficiënter.
Voor beleggers ontstaat daarmee een interessante nieuwe industriële cyclus. Niet alleen de bedrijven die zelf producten maken profiteren, maar vooral ook de bedrijven die de nieuwe fabrieken mogelijk maken: robotproducenten, machinebouwers, halfgeleiderbedrijven, elektriciteitsbedrijven, netbeheerders, bouwbedrijven en leveranciers van industriële software.
De komende industriële renaissance zal er daarom anders uitzien dan de industrie van de twintigste eeuw. Minder mensen aan de lopende band, meer robots, meer software en veel meer kapitaal. De fabriek keert terug, maar het is een andere fabriek.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Abonneer
Gerelateerde artikelen
Financiële repressie
Het IMF waarschuwt voor de terugkeer van financiële repressie Wat betekent dit stille schuldenmiddel eigenlijk voor obligaties en aandelen?
Meer lezenStijgende rente is een teken van kracht
De stijgende rente zorgt voor onrust, maar vertelt een verhaal van kracht: van groei, winst en eerlijk rendement.
Meer lezenDeglobalisering of reglobalisering?
Deglobalisering lijkt onvermijdelijk, maar de cijfers vertellen een ander verhaal: de wereldhandel verandert van vorm, niet van richting.
Meer lezenKoffie?
Verder praten over de dynamiek van vermogen. Maak hier een afspraak voor een kop koffie bij ons op kantoor of bij u thuis.
Neem contact op
