Het gaat om snelheid en duur, niet om niveau
Wat vaak over het hoofd wordt gezien, is dat niet het absolute niveau van de olieprijs bepalend is voor inflatie, maar het tempo van de verandering en de duur van de piek. In de eerste helft van de jaren 2010 stabiliseerden de olieprijzen zich op 90 tot 100 dollar per vat — een veelvoud van het niveau in het voorgaande decennium. Toch daalde de kerninflatie in die periode ruim onder de 2%-doelstelling. De markt had zich aangepast aan het hogere prijsniveau.
De recente olieprijsstijging is fors en snel, maar het effect op de onderliggende inflatie hangt af van de vraag hoe lang de prijzen op dit niveau blijven. Een tijdelijke piek heeft doorgaans een beperkt effect op de kerninflatie. De huidige hardnekkigheid van de inflatie heeft bovendien weinig met olie te maken en weerspiegelt vooral de aanhoudend sterke vraagzijde van de Amerikaanse economie.
Een andere economie dan vroeger
De Amerikaanse economie is fundamenteel veranderd ten opzichte van de grote olieschokken uit de jaren zeventig en tachtig. Destijds was de VS een grote industriële economie en netto-importeur van olie. Hogere energiekosten betekenden een directe verslechtering en veroorzaakten forse economische ontwrichting.
Vandaag de dag is meer dan 80% van de economie dienstengebaseerd en zijn de VS netto-exporteur van energie. Stijgende olieprijzen zijn daardoor in de eerste plaats een herverdelingsvraagstuk: energieverbruikers dragen welvaart over aan energieproducenten. Hoewel dat pijnlijk is voor consumenten en sectoren als transport en luchtvaart, profiteert de Amerikaanse economie als geheel juist van hogere prijzen. Dat is een wezenlijk ander uitgangspunt dan veertig jaar geleden.
De Fed zit klem
De markt vreest dat de Fed gedwongen wordt om het beleid te verkrappen als reactie op de olieprijsstijging. Die vrees verklaart waarom de forward-markt is omgeslagen van twee verwachte renteverlagingen naar een renteverhoging. Maar deze herprijzing is buitenproportioneel.
De Fed opereert onder een dubbel mandaat: prijsstabiliteit én volledige werkgelegenheid. Fed-voorzitter Powell heeft dat mandaat recent omschreven als een verhouding die verschuift naargelang de omstandigheden. Op dit moment is de inflatie hardnekkig en blijft boven de 2%-doelstelling, maar de werkloosheid loopt ook geleidelijk op. In die situatie is het verstandigste beleid om af te wachten, niet om de rente te verhogen op basis van een energieschok waarvan het doorwerkingseffect op de kerninflatie historisch gezien beperkt is.
Het basisscenario blijft dat de Fed de rente voorlopig ongewijzigd laat, maar later in 2026 of 2027 ruimte krijgt om te versoepelen. De stijgende arbeidsproductiviteit, de afzwakkende loongroei en het waarschijnlijk tijdelijke karakter van de energie-inflatie ondersteunen dat scenario. De opgelopen korte-termijn inflatieverwachtingen zijn overdreven.
Europa: kwetsbaarder, maar dezelfde denkfout
Voor Europa is de situatie onmiskenbaar serieuzer. Energiekosten vertegenwoordigen circa 11% van het huishoudinkomen in de EU, tegenover 3,4% in de VS. Europa heeft een grotere industriële sector, importeert een aanzienlijk deel van zijn olie en lng uit het Midden-Oosten, en ervaart door de effectieve sluiting van de Straat van Hormuz een energiecrisis die doet denken aan de nasleep van de Russische invasie van Oekraïne. Eerst was de afhankelijkheid van Russisch gas het probleem, nu moet het gas uit Qatar komen.
De ECB opereert onder een enkelvoudig mandaat gericht op de totale inflatie, die veel gevoeliger is voor energieprijzen dan de kerninflatie. Schattingen suggereren dat de recente olieprijsstijging, als die nog een maand aanhoudt, de inflatie met circa 50 basispunten kan opdrijven. Het is in dat opzicht begrijpelijk dat de forward-markt drie renteverhogingen voor dit jaar inprijst.
Maar ook hier wordt dezelfde denkfout gemaakt. Het inprijzen van renteverhogingen als reactie op een aanbodschok is economisch riskant. Een energieschok werkt stagflatoir: het remt de groei en drijft de prijzen op. Renteverhogingen bestrijden weliswaar de prijscomponent, maar verergeren de groeivertraging. De olieprijsstijging zelf fungeert al als rem op de economie. Daarbovenop nog een monetaire verkrapping leggen is dubbel straffen. De ECB zal dit dilemma moeten wegen, en het is allerminst vanzelfsprekend dat verkrapping het juiste antwoord is op een externe aanbodschok.
Het grotere plaatje: desinflatie nu, inflatierisico later
Het macro-economische landschap is sinds 2022 structureel veranderd. De decennialange desinflatoire trend in de lange rente is gebroken, en de wereld bevindt zich in een nieuw regime waarin inflatierisico’s structureel hoger liggen dan in de periode 1982-2022. Maar binnen dat grotere plaatje wijst de tussentijdse dynamiek op desinflatie, niet op versnelling.
De twee scenario’s die uiteindelijk wachten zijn ofwel een pijnlijke deflatie, ofwel sluipende stagflatie: een omgeving waarin economieën worden aangetast, aandelenmarkten nauwelijks vooruitkomen en vitale grondstoffen en edelmetalen juist sterk presteren. Maar dat is het verhaal voor de langere termijn.
Op de korte en middellange termijn is het desinflatoire scenario intact. De door oorlog veroorzaakte olieprijspiek zal de economische activiteit eerder drukken dan aanjagen, wat uiteindelijk juist de inflatiedruk vermindert. De rentemarkten die nu verhogingen inprijzen, positioneren zich voor een scenario dat de data niet ondersteunen.
De markt jaagt spoken na
De reflexmatige reactie van de rentemarkten (het uitprijzen van verlagingen en het inprijzen van verhogingen) berust op twee onjuiste aannames. Ten eerste dat hogere olieprijzen rechtstreeks en significant doorwerken in de kerninflatie. Ten tweede dat wat we nu zien überhaupt inflatie is in de monetaire zin van het woord.
Stijgende olieprijzen door oorlog zijn geen inflatie. Het zijn stijgende prijzen in een grondstof, veroorzaakt door geopolitiek. De werkelijke inflatie werd gecreëerd door monetair en fiscaal beleid in 2020-2021. Het verwisselen van deze twee fenomenen leidt tot verkeerde beleidsverwachtingen en verkeerde positionering. Langlopende staatsobligaties bieden op het huidige renteniveau meer dan voldoende compensatie voor het ingebedde inflatierisico. De korte rente weerspiegelt een te pessimistisch scenario. Dat geldt aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, zij het om verschillende redenen en in verschillende mate.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via
www.aureus.eu/nieuwsbrief