Het eerste kwartaal van 2026 begon hoopvol en eindigde in chaos.
Januari en februari stonden nog in het teken van rotatie en een
verbreding van de markt, weg van de grote technologienamen, richting
waarde- en dividendaandelen. Maart werd echter volledig gedomineerd
door het militaire conflict tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran. De
sluiting van de Straat van Hormuz veroorzaakte de grootste verstoring
van de mondiale energievoorziening sinds de jaren zeventig en drukte
een zware stempel op alle beleggingscategorieën.
De S&P 500 sloot het kwartaal af met een verlies van ruim 4 procent, het
zwakste kwartaalresultaat sinds het derde kwartaal van 2022. De Nasdaq
deed het met een min van 6 procent nog slechter. Microsoft verloor meer
dan 23 procent, mede door groeiende twijfels over het verdienmodel van
software-as-a-service in een wereld waarin AI-toepassingen steeds meer
taken overnemen. De bredere technologiesector stond al onder druk vóór
het conflict uitbrak, doordat beleggers de enorme kapitaaluitgaven voor
AI-datacenters kritischer gingen beoordelen.
Europese aandelen ontkwamen niet aan de onrust. De Stoxx Europe
600 sloot het kwartaal af met een verlies van ruim 1 procent in euro,
na een bijzonder zwakke maand maart waarin de stijgende gasprijzen
herinneringen opriepen aan de energiecrisis van 2022. De ECB stelde haar
geplande renteverlaging uit en verhoogde de inflatieverwachting voor
2026.
Op de obligatiemarkten sloeg de stemming om van hoop op
renteverlagingen naar angst voor stagflatie. Kortlopende obligaties werden
het hardst geraakt doordat markten plotseling renteverhogingen in plaats
van verlagingen begonnen in te prijzen. Amerikaanse obligaties sloten
het kwartaal fractioneel in de min. Europese staatsobligaties kwamen
eveneens onder druk.
De koersdalingen van het eerste kwartaal werden grotendeels gedreven
door angst en onzekerheid, niet door verslechterende fundamentele
omstandigheden. De recente economische cijfers bevestigen dat beeld.
De inkoopmanagersindices van China, de Europese Unie en de Verenigde
Staten kwamen in maart allemaal boven de 50-puntengrens uit — de eerste
keer sinds 2022 dat alle drie de regio’s tegelijk in expansie verkeren. Van
een oorlogsrecessie is vooralsnog geen sprake. Belangrijk is ook dat de
bedrijfswinsten robuust zijn gebleven. De winstdynamiek is niet wezenlijk
aangetast door het conflict en de aandelenwaarderingen zijn inmiddels met
zo’n 15 procent gedaald. Fed-voorzitter Powell heeft duidelijk gemaakt dat
de centrale bank de rente niet zal verhogen om de stijgende olieprijzen te
bestrijden. Zodra de markt inziet dat de kans op renteverhogingen gering
is, zou dat een herstel van de waarderingen moeten ondersteunen.
De verwachting is dat het conflict met Iran geleidelijk afbouwt en Trump
terugkeert naar zijn binnenlandse agenda van fiscale stimulering en
deregulering. Dat zou een gunstig klimaat scheppen voor de financiële
markten. Mocht de S&P 500 onverhoopt de eerdere bodems van eind
maart opnieuw testen, dan biedt dat eerder een koopmogelijkheid dan een
reden om te verkopen. Voor beleggers is het zaak om door de kortstondige
onrust heen te kijken en zich te richten op de onderliggende economische
kracht die de markten uiteindelijk zal dragen.