De vruchten worden niet gedeeld

29 juli 2026

Toen het Chinese Kimi K3 op 16 juli verscheen, reageerde de markt met een inmiddels vertrouwde reflex: chipaandelen gingen onderuit, uit vrees dat AI met steeds minder rekenkracht toe kan. Die reflex is te kort door de bocht. Met 2,8 biljoen parameters is Kimi K3 het grootste Chinese model tot nu toe, en het stelt juist zwaardere eisen aan geheugen; zelfs gecomprimeerd vraagt het zo’n 1,4 terabyte. De vraag naar geheugen en chips verdwijnt dus niet, maar kunstmatige intelligentie wordt spotgoedkoop. Dat zorgt eerder voor meer dan voor minder vraag. Kimi K3 levert prestaties op topniveau tegen een derde tot de helft van de kosten van de duurste Amerikaanse modellen, en de kosten om die intelligentie te reproduceren dalen sinds de introductie van ChatGPT met ruwweg 60% per jaar.

Dat raakt aan het enige wat er op de lange termijn werkelijk toe doet: productiviteitsgroei. Net als bij elektriciteit en bandbreedte ontstaat de echte winst niet bij wie de techniek levert, maar bij de talloze bedrijven die haar in hun processen verwerken. De vraag is alleen wie er uiteindelijk van profiteert. In eerste instantie profiteren de leveranciers van de infrastructuur. Juist omdat Kimi K3 zo geheugenhongerig is, groeit de vraag naar snel geheugen sneller dan het aanbod.

Wat de theorie belooft

Volgens de theorie gaan productiviteit en reële lonen gelijk op. Wie meer produceert, deelt mee in de opbrengst van nieuwe technologie. In de praktijk is die band verbroken. In de Verenigde Staten liepen loon- en productiviteitsgroei tot in de jaren zeventig keurig in de pas, maar sindsdien is de kloof uitgegroeid tot een ravijn, en die wordt met het jaar breder. De arbeidsproductiviteit ligt inmiddels meer dan vijf keer zo hoog als in 1947, terwijl de reële beloning per uur slechts is verdrievoudigd. In het Verenigd Koninkrijk, met cijfers die teruggaan tot de regeerperiode van George III, begon de ontkoppeling nog eerder, en ook in Japan en het grootste deel van Europa tekent zich hetzelfde patroon af.

Een deel van die kloof is meettechnisch. Productiviteit en lonen worden met verschillende prijsindices voor inflatie gecorrigeerd; rekent men beide met dezelfde maatstaf, dan krimpt het verschil, al verdwijnt het niet. Daar komt de toegenomen ongelijkheid bij: het mediane loon blijft nog verder achter dan het gemiddelde, omdat de uitschieters aan de top dat gemiddelde omhoogtrekken. Maar het grootste deel van de verklaring is structureel.

Waarom de lonen achterblijven

Achter de ontkoppeling schuilen vier structurele oorzaken:

  1. De eerste is de afgenomen onderhandelingsmacht van werknemers. De organisatiegraad is sterk gedaald, veel minder werkenden zijn nog lid van een vakbond, waardoor die bonden bij cao-onderhandelingen minder gemakkelijk hogere lonen kunnen afdwingen. Tegelijk heeft de flexibilisering, met de opmars van tijdelijke contracten en zzp-constructies, de baanzekerheid en daarmee de looneisen van de individuele werkende uitgehold. Wie makkelijk vervangbaar is, onderhandelt vanuit een zwakke positie.
  2. De tweede oorzaak is de globalisering. De opening van de wereldmarkt heeft de verhouding tussen kapitaal en arbeid fundamenteel verschoven. Bedrijven kunnen productieketens eenvoudig naar lagelonenlanden verplaatsen, en alleen al de dreiging daarmee remt de looneisen in het Westen. Vooral in de industrie verdwenen zo stabiele, goedbetaalde banen naar het buitenland, terwijl de winst bij het kapitaal achterbleef.
  3. De derde oorzaak is de technologische vooruitgang zelf, met de verschuiving van het inkomen naar het kapitaalaandeel die daarmee gepaard gaat. Winst komt steeds vaker voort uit slimme software, robots en algoritmes in plaats van uit extra menselijke handen, en de opbrengst van de hogere productiviteit vloeit dan naar de eigenaren van dat kapitaal: de aandeelhouders en investeerders. De grootste techbedrijven vormen het meest duidelijke voorbeeld, want enkele techreuzen boeken gigantische winsten met betrekkelijk weinig personeel, wat de gemiddelde loonvoet in de hele economie drukt.
  4. De vierde oorzaak is subtieler en juist zichtbaar op de loonstrook: de oplopende kostenwig tussen wat een werknemer kost en wat hij overhoudt. Zelfs wanneer de totale beloning stijgt, vertaalt dat zich lang niet altijd in een hoger brutoloon. Werkgevers dragen almaar hogere premies af voor zorg en pensioen, zodat een deel van de loonruimte onzichtbaar verdwijnt in de financiering van de verzorgingsstaat en de vergrijzing. Het nettoloon stagneert terwijl de werkgeverslasten oplopen, en van de productiviteitsstijging merkt de werknemer op zijn strookje daardoor weinig.

De Turing-val

Hier kan AI het beeld verder kantelen, en niet ten goede. Als AI een vorm van vooruitgang is die vooral kapitaal begunstigt, wordt de kloof groter in plaats van kleiner. Datzelfde geldt wanneer machines werknemers vervangen in plaats van aanvullen. We kunnen AI zó bouwen dat zij menselijk werk imiteert en dus vervangt, of zó dat zij het versterkt; de eerste route wordt ook wel Turing-val (Turing Trap) genoemd. En juist de degradatie tot een massa-artikel die Kimi K3 zichtbaar maakt, versnelt de verspreiding. Nu Moonshot, het bedrijf achter Kimi K3, de modelgewichten publiek maakt (open source), kan elk bedrijf het model zelf draaien en aanpassen, zonder dure clouddienst. Kunstmatige intelligentie wordt zo een grondstof die overal beschikbaar is, en grondstoffen die goedkoop en overvloedig zijn, dringen razendsnel door in de hele economie. Dat vergroot de productiviteit, maar het verlegt de opbrengst ervan nog nadrukkelijker naar het kapitaal.

Wat het voor de belegger betekent

De belegger kijkt vanuit een ander perspectief. De ontkoppeling is maatschappelijk ongemakkelijk, maar als aandeelhouder zit de belegger aan de winnende kant van de scheidslijn. De productiviteitswinst die niet in lonen belandt, stroomt naar de eigenaren van machines, datacenters en kapitaal, en dat zijn de aandeelhouders. Let wel: dat zijn zelden de bouwers van de slimste modellen zelf, want hun voorsprong verdampt met zo’n 60% per jaar. Het echte AI-dividend valt breder, bij de bedrijven die goedkope intelligentie het snelst weten te benutten.

 

Een economie waarin de vruchten niet worden gedeeld, ondergraaft uiteindelijk haar eigen vraag: wie koopt straks al die spullen die de productieve machines maken? En hoe langer de kloof gaapt, hoe luider de roep om herverdeling, hogere belastingen en strengere regels. Die politieke reactie is zelf een beleggingsrisico. Productiviteitsgroei blijft het enige wat er op de lange termijn werkelijk toe doet. Ze moet alleen beter worden gedeeld, en de manier waarop dat gebeurt, bepaalt mede het rendement van morgen.

 

Han Dieperink, Chief Investment Officer 

 

Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief 

Gerelateerde artikelen

De winst doet het werk

Sinds begin juni beweegt de beurs vooral zijwaarts. Nu lijkt daar voorzichtig een einde aan te komen. De winsten van bedrijven zijn al die tijd gestegen, maar de koersen bleven bijna gelijk.

Meer lezen

Financiële steun voor topsporters

Talent alleen wint geen medailles. Zonder financiële steun voor topsporters blijft zelfs het grootste talent vaak gewoon onbenut.

Meer lezen

De Straat van Hormuz weer open.

De Straat van Hormuz gaat weer open, maar niet voor Iraanse olie. Wat betekent dit voor de olieprijs, inflatie, de Fed en beleggers?

Meer lezen

Koffie?

Verder praten over de dynamiek van vermogen. Maak hier een afspraak voor een kop koffie bij ons op kantoor of bij u thuis.

Neem contact op

Fout: Contact formulier niet gevonden.