De prijs van oorlog

15 maart 2026

De beelden van brandende tankers in de Straat van Hormuz, de olieprijs die in twee weken tijd van 70 naar bijna 120 dollar per vat schoot en de langste files bij Amerikaanse tankstations sinds de pandemie, het is verleidelijk om te concluderen dat de wereld opnieuw gegijzeld wordt door Midden-Oosterse olie. Maar wie voorbij de paniek kijkt, ziet een ander plaatje dan in de jaren zeventig of zelfs in 2022. De economische schade van het conflict met Iran is reëel, maar beter beheersbaar.

Hormuz: het smalste punt van de wereldeconomie

Sinds de gezamenlijke Amerikaans-Israëlische aanval op Iran heeft Teheran het scheepvaartverkeer door de Straat van Hormuz vrijwel stilgelegd. Door die zeestraat passeert normaal gesproken zo’n twintig procent van de mondiale olie- en gasaanvoer. Iran gebruikt de zeestraat al decennia als strategisch drukmiddel en doet dat nu opnieuw: met mijnen, drones, antischeepsraketten en aanvallen vanuit een vloot van kleine, snelle aanvalsboten. Ondanks wekenlange Amerikaanse en Israëlische luchtaanvallen die de Iraanse marine grotendeels hebben uitgeschakeld, blijven Iraanse commandanten in staat om aanvallen uit te voeren. Meer dan zeshonderd internationale handelsschepen zitten vast in de Golf. President Trump heeft aangekondigd dat Amerikaanse oorlogsschepen olietankers door de straat zullen escorteren, maar de marine waarschuwt dat Iraanse drones en antischeepsraketten het smalle vaarwater in een dodelijke val kunnen veranderen. Zelfs met escortes zou het scheepvaartverkeer terugvallen tot zo’n tien procent van het normale niveau, waardoor het maanden zou duren om de achterstand weg te werken. Het is de grootste verstoring van de mondiale energieaanvoer in de geschiedenis van het Internationaal Energieagentschap. En toch is de wereld niet in een energiecrisis beland. Dat is het resultaat van een strategie die al jaren geleden is ingezet en van een wereldeconomie die fundamenteel veranderd is.

Wat de termijnmarkt zegt

De olietermijnmarkt verkeert momenteel in backwardation: de prijs voor directe levering ligt hoger dan die voor levering in de toekomst. Dat betekent dat beleggers de huidige prijsopdrijving als tijdelijk beschouwen en op termijn een terugkeer naar lagere niveaus verwachten. De futuresmarkt prijst voor het einde van het decennium een olieprijs van circa 70 dollar in, ruim onder de huidige spotprijs van rond de 100 dollar. De markt zegt daarmee klip en klaar: dit is een probleem van voorbijgaande aard, geen structureel tekort. Dat oordeel wordt ondersteund door de inflatieswaps: die laten zien dat de gestegen energieprijzen wel zichtbaar zijn in de kortetermijninflatie van circa één jaar, maar dat de langeretermijnverwachtingen nagenoeg onveranderd blijven. Professionele beleggers rekenen niet op een permanente inflatoire doorwerking.

 

Het IEA heeft bovendien unaniem besloten tot de vrijgave van 400 miljoen vaten uit de strategische reserves van zijn 32 lidstaten, meer dan het dubbele van wat werd vrijgegeven na de Russische invasie van Oekraïne in 2022. De Verenigde Staten dragen 172 miljoen vaten bij uit de Strategic Petroleum Reserve, maar doen dat op een opmerkelijke manier: in plaats van de vaten rechtstreeks te verkopen, worden ze geruild tegen futurescontracten. Omdat de termijnmarkt verwacht dat de olieprijs later dit jaar daalt, krijgt de VS naar verwachting circa 200 miljoen vaten terug voor de prijs van 172 miljoen. Het is het type transactie dat een energieminister kan bedenken die de werking van grondstoffenmarkten daadwerkelijk begrijpt.

Minder olie-afhankelijk dan vroeger

Hoewel de nominale olieprijs hoog lijkt, liggen de reële prijzen nog altijd ruim onder de pieken van 1979 en 2008. Maar er is meer. De energie-intensiteit van ontwikkelde economieën is sinds de jaren zeventig sterk gedaald: door efficiëntere motoren, betere isolatie, de verschuiving naar dienstensectoren en de opkomst van hernieuwbare energie gaat er per eenheid economische output aanzienlijk minder olie in dan vijftig jaar geleden. De energiecomponent als percentage van het bbp is structureel gedaald, waardoor een olieprijsstijging minder economische schade aanricht dan in het verleden. Het IMF hanteert als vuistregel dat elke tien procent stijging van de olieprijs de mondiale inflatie met 0,4 procentpunt verhoogt en de economische groei met 0,15 procentpunt drukt. Met een prijsstijging van vijftig procent in twee weken zijn die effecten niet triviaal, maar ook niet rampzalig.

Dankzij de schalierevolutie zijn de Verenigde Staten uitgegroeid tot de grootste olieproducent ter wereld, met een dagelijkse productie die die van Saudi-Arabië en Rusland overtreft. Amerika is netto-exporteur geworden en profiteert bij hogere olieprijzen eerder dan dat het eronder lijdt. In de jaren zeventig kon een Arabisch olie-embargo de westerse economieën op de knieën dwingen. Die tijd is voorbij. De westerse afhankelijkheid van het Midden-Oosten is structureel afgenomen, en bondgenoten in Europa en Azië zijn dankzij groeiende Amerikaanse LNG-exporten beter gepositioneerd dan een decennium geleden.

Energie in brede zin: diesel, LNG en kunstmest

De gevolgen van het conflict reiken verder dan de olieprijs alleen. Dieselprijzen stijgen sterker dan benzineprijzen, omdat diesel de brandstof is van het vrachtverkeer, de landbouw en de scheepvaart, sectoren die direct gekoppeld zijn aan productie- en transportkosten door de gehele economie. Wie diesel duurder maakt, maakt uiteindelijk alles duurder. Diesel is bovendien nauw verwant aan stookolie voor de scheepvaart, waarvan de vraag stijgt wanneer conflicten de gastoevoer bedreigen. Benzine is primair een consumentsbrandstof; diesel is de slagader van de reële economie.

Ook LNG-prijzen zijn fors opgelopen, zoals zichtbaar in de Europese spotmarkt. De aanvallen op Qatarese LNG-infrastructuur hebben de markt nerveus gemaakt, ook al zijn de fysieke verstoringen vooralsnog beperkt. Qatar heeft overmacht ingeroepen op zijn leveringscontracten, wat kopers dwingt naar de duurdere spotmarkt uit te wijken.

Een onderschat neveneffect is de stijging van kunstmestprijzen. Ammoniak, de basisgrondstof voor ureum, de meest gebruikte stikstofkunstmest ter wereld, wordt geproduceerd uit aardgas. De Perzische Golf is een dominante productieregio omdat goedkoop gas de productiekosten structureel laag houdt; landen als Saudi-Arabië, Qatar en de VAE exporteren grote hoeveelheden ureum naar de wereldmarkt. Nu de gasprijzen stijgen, stijgen de productiekosten van ammoniak en daarmee van ureum, wat doorwerkt in de wereldwijde kunstmestprijzen. Boeren berekenen hogere inputs door aan de keten en uiteindelijk betaalt de consument aan de kassa. 

Ten slotte zijn de vrachttarieven voor olietankers sterk gestegen. Hogere vrachttarieven verhogen de effectieve importprijs van olie bovenop de al gestegen spotprijs.

Azië het meest kwetsbaar

Aziatische aandelenmarkten reageren scherper op het conflict dan westerse beurzen. Dat is niet toevallig: landen als Japan, Zuid-Korea, China en India hebben nauwelijks eigen oliereserves en zijn voor een groot deel van hun energievoorziening afhankelijk van import uit het Midden-Oosten. Een verstoring van de aanvoer via de Straat van Hormuz, waardoor dagelijks circa twintig procent van de wereldwijde oliehandel stroomt, raakt deze economieën direct in hun productiekosten, handelsbalans en inflatieverwachtingen, wat zich onmiddellijk vertaalt in lagere aandelenkoersen. De combinatie van hogere olieprijzen én hogere vrachttarieven maakt de importrekening voor Aziatische economieën dubbel zwaar.

 

Centrale banken in een lastige positie

De macro-economische doorwerking is voelbaar. De Europese Centrale Bank bevindt zich in een bijzonder ongemakkelijke positie. De eurozone had zich net geïnstalleerd in een comfortabel scenario van dalende inflatie en geleidelijke renteverlagingen. Dat scenario is van tafel. De geldmarkt prijst inmiddels een ECB-renteverhoging in tegen juni of juli, met een tweede verhoging tegen het einde van het jaar. De angst is niet zozeer de directe energieprijsstijging, maar het risico op tweede-ronde-effecten: bedrijven die hogere energiekosten doorberekenen, werknemers die hogere lonen eisen, en een opwaartse spiraal die moeilijk te stoppen is. Het spookbeeld van 2022, toen de ECB te lang wachtte en vervolgens in recordtempo moest verhogen, hangt boven elke vergadering.

De Federal Reserve kampt met een vergelijkbaar dilemma. De verwachte verlagingscyclus voor 2026 is effectief opgeschort. De fed funds rate staat op 3,50 tot 3,75 procent en de interne verdeeldheid groeit. De arbeidsmarkt verzwakt (in februari gingen 92.000 banen verloren) maar de inflatie ligt boven de doelstelling en de energieschok dreigt die verder op te stuwen. Centrale banken staan voor het klassieke stagflatievraagstuk: de energieschok remt de groei maar voedt de inflatie tegelijk, wat het rentebeleid in tegengestelde richtingen trekt.

Toch laten de meest recente macro-economische data vooralsnog geen ernstige schade aan de wereldeconomie zien. De Citigroup Economic Surprise Indices laten geen verslechtering zien als gevolg van het conflict. Zowel voor de VS als voor Europa en de opkomende markten blijven de indices op een niveau dat wijst op data die de verwachtingen bijhoudt of overtreft. De wereldeconomie toont vooralsnog een opmerkelijke veerkracht.

Twee scenario’s

Bij een kort conflict valt de olieprijs terug naar 70 tot 75 dollar per vat en blijft de inflatietoename in Europa en Azië beperkt tot circa een half procentpunt. Centrale banken hoeven hun koers nauwelijks bij te stellen. Bij een langdurig conflict (langer dan drie maanden) kan Brent richting 130 dollar oplopen, glijdt de eurozone af naar een recessie en worden renteverhogingen onvermijdelijk. Het verschil tussen die scenario’s is de duur van de Hormuz-blokkade, en daarmee uiteindelijk de militaire capaciteit om die te doorbreken.

 

De huidige situatie verschilt op minstens drie onderdelen van oliecrises uit het verleden. De wereldeconomie is veel minder olie-intensief dan in de jaren zeventig. Verder beschikt het westen over alternatieven (strategische reserves, schalieproductie, LNG-exportcapaciteit) die destijds niet bestonden. En ten slot is dit geen embargo door bevriende producenten, maar een blokkade door een vijandige mogendheid die tegelijkertijd militair wordt bestreden. De verstoring is hevig maar eindig, en de capaciteit om die te weerstaan is groter dan de paniek suggereert.

 

Beheersbare schade, mits het conflict eindig blijft

De economische pijn van dit conflict is reëel maar beheersbaar, mits het conflict zelf tijdelijk blijft. De olietermijnmarkt bevestigt dat oordeel. De strategische positie van de VS als energieproducent, de gecoördineerde vrijgave van strategische reserves en de militaire druk op Iran om de scheepvaartroutes te heropenen vormen samen een geloofwaardig antwoord op de verstoring. De afhankelijkheid van het Midden-Oosten is kleiner dan ooit, de reële olieprijzen zijn lager dan de krantenkoppen suggereren, en de wereldeconomie toont vooralsnog een opmerkelijke veerkracht. Het is, in de woorden van de Amerikaanse energieminister Chris Wight, kortetermijnpijn voor langetermijnwinst. Geen reden voor paniek.

 

Han Dieperink, Chief Investment Officer

 

 

Disclaimer

Abonneer op deze nieuwsbrief via

www.aureus.eu/nieuwsbrief

Gerelateerde artikelen

De magische 4%

Lange tijd rekende Nederland met vier procent. Pensioenfondsen gingen ervan uit dat hun beleggingen gemiddeld dat rendement haalden. Toekomstige uitkeringen

Meer lezen

De semiconductorsupercyclus is nog niet voorbij

Chipaandelen corrigeren hard, maar de semiconductorsupercyclus is nog niet voorbij. Kunstmatige intelligentie en robots stuwen de vraag.

Meer lezen

Financiële repressie

Het IMF waarschuwt voor de terugkeer van financiële repressie Wat betekent dit stille schuldenmiddel eigenlijk voor obligaties en aandelen?

Meer lezen

Koffie?

Verder praten over de dynamiek van vermogen. Maak hier een afspraak voor een kop koffie bij ons op kantoor of bij u thuis.

Neem contact op

Fout: Contact formulier niet gevonden.