De Golfstaten als derde AI-grootmacht

10 januari 2026

Golfstaten

De wereldwijde race om kunstmatige intelligentie wordt traditioneel gezien als een tweestrijd tussen de Verenigde Staten en China. Beide grootmachten investeren honderden miljarden dollars in chips, datacenters en AI-modellen. Maar terwijl Washington en Beijing elkaar bevechten om technologisch leiderschap, meldt zich stilletjes een derde speler aan tafel. De Golfstaten, aangevoerd door Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar, hebben de ambitie om uit te groeien tot een volwaardige pijler onder de mondiale AI-infrastructuur.

Van zwarte goud naar digitale goud

De Golfstaten hebben hun welvaart decennialang gebouwd op de export van olie en gas. Maar ze weten als geen ander dat fossiele brandstoffen eindig zijn, en dat de energietransitie hun verdienmodel op termijn onder druk zet. De oplossing die ze voor ogen hebben is even simpel als ingrijpend: van leverancier van energie naar leverancier van rekenkracht. In plaats van ruwe olie te exporteren, willen ze straks computercapaciteit, dataverwerking en AI-diensten leveren aan de rest van de wereld.

 

Energie is goedkoop en overvloedig beschikbaar. De staatsinvesteringsfondsen behoren tot de grootste ter wereld en beschikken over honderden miljarden dollars aan kapitaal dat geïnvesteerd kan worden. En er is ruimte genoeg: industriële grond in Saudi-Arabië kost tussen de tien en vijftig dollar per vierkante meter, een schijntje vergeleken met de honderdvijftig tot zeshonderd dollar die je betaalt in Noord-Virginia, het hart van de Amerikaanse datacenterindustrie.

Indrukwekkende cijfers

De Golfstaten zijn geen nieuwkomers die nog moeten bewijzen dat ze AI serieus nemen. Integendeel, ze behoren al tot de mondiale koplopers in AI-adoptie. Qatar en de VAE staan beide in de wereldwijde top tien. De Emiraten leiden zelfs de wereld in het gebruik van generatieve AI per hoofd van de bevolking: bijna zestig procent van de werkende bevolking maakt al gebruik van deze technologie. Op bedrijfsniveau ontwikkelt ongeveer 63 procent van de organisaties in de Golf eigen generatieve AI-modellen, ruim boven het mondiale gemiddelde van rond de vijftig procent.

De economische baten zijn al zichtbaar.  Topman Nasser van oliegigant Aramco vertelde onlangs dat zijn bedrijf zes miljard dollar heeft bespaard door AI toe te passen in meer dan vijfhonderd verschillende werkprocessen. Analyses die voorheen weken duurden, worden nu in uren afgerond. Nasser omschrijft Aramco inmiddels als een technologiebedrijf dat energie levert, niet andersom.

 

Qatar heeft samen met vermogensbeheerder Brookfield een joint venture opgezet die tot twintig miljard dollar wil investeren in AI-infrastructuur. Saudi-Arabië heeft via HUMAIN, een platform gesteund door het Public Investment Fund, meer dan veertig miljard dollar aan AI-gerelateerde investeringen toegezegd als onderdeel van Vision 2030. Het doel is om binnen tien jaar zes gigawatt aan datacentercapaciteit te realiseren. Abu Dhabi heeft MGX gelanceerd, een investeringsvehikel gericht op AI en halfgeleiders, dat op termijn zo’n honderd miljard dollar aan vermogen wil beheren.

 

Het meest concrete bewijs van deze ambities is de Stargate-deal. Deze samenwerking tussen het Emiratische G42 en Amerikaanse bedrijven als OpenAI, NVIDIA, Oracle en SoftBank omvat een datacampus van vijf gigawatt aan rekencapaciteit, verspreid over ruim 25 vierkante kilometer. Het wordt daarmee de grootste AI-faciliteit buiten de Verenigde Staten.

Kiezen voor Amerika

De Golfstaten hebben met deze deals een duidelijke keuze gemaakt: ze scharen zich achter de Verenigde Staten in de technologische rivaliteit met China. Die keuze was niet vrijblijvend. De Amerikaanse overheid keurde de levering van geavanceerde chips aan de VAE pas goed nadat G42 had toegezegd om Chinese technologie uit zijn systemen te verwijderen en de samenwerking met Huawei te beëindigen. De Golf wordt zo steeds steviger verankerd in het Amerikaanse chipecosysteem, terwijl China een potentieel lucratieve exportmarkt verliest.

 

Voor Washington heeft deze constructie duidelijke voordelen. De Golfstaten financieren een groot deel van de dure infrastructuur zelf, terwijl Amerikaanse techbedrijven de controle behouden over de software, de AI-modellen en de beveiligingslagen. Het is een symbiose waarbij beide partijen profiteren: de Golf krijgt toegang tot de beste chips en Amerika krijgt kapitaalkrachtige partners die helpen om de wereldwijde vraag naar rekenkracht te accommoderen.

 

De Verenigde Staten lopen tegen hun grenzen voor wat betreft stroomverbruik aan. Datacenters verbruiken nu al ongeveer vijf procent van de nationale elektriciteit, goed voor zo’n vijftig gigawatt aan capaciteit. Dat aandeel groeit explosief. Volgens schattingen is tegen 2028 ongeveer 44 gigawatt aan extra capaciteit nodig voor nieuwe datacenters. Het probleem is dat slechts 25 gigawatt daarvan realistisch kan worden geleverd. Er ontstaat dus een structureel tekort van negentien gigawatt, ruim veertig procent van de vraag.

 

De oorzaak ligt niet alleen bij een gebrek aan opwekcapaciteit. Het Amerikaanse stroomnet is verouderd en de verbindingen om elektriciteit te transporteren schieten tekort. Naar schatting gaat jaarlijks twee tot 2,4 petawattuur aan schone energie verloren omdat het simpelweg niet op de juiste plek kan worden geleverd. De wachtrij voor aansluiting op het net bevat inmiddels projecten van 2.600 gigawatt, meer dan het dubbele van de huidige geïnstalleerde capaciteit in heel Amerika. De bottleneck zit niet in de bereidheid van ontwikkelaars, maar in vergunningen en fysieke aansluitingen.

 

PJM Interconnection, het grootste stroomnet van de VS dat dertien staten en Washington DC bedient, heeft gewaarschuwd dat er op korte termijn simpelweg geen nieuwe capaciteit beschikbaar is voor grote afnemers. De spanningen zijn het grootst in juist die regio’s waar de meeste datacenters staan: Noord-Virginia, Texas en Georgia.

Snelheid als concurrentievoordeel

In de Golfstaten bestaat dit probleem niet. Energiebedrijven zijn staatseigendom en werken nauw samen met nationale overheden die AI tot strategische prioriteit hebben verheven. De infrastructuur voor energie wordt gelijktijdig met de datacenters gebouwd, niet achteraf. Vergunningsprocedures die in Amerika jaren kunnen duren, worden in de Golf binnen zes tot twaalf maanden afgerond. In de speciale economische zones van Saudi-Arabië krijgen ontwikkelaars hun bouwvergunning en stroomgarantie tegelijkertijd.

 

Die snelheid is een enorm concurrentievoordeel. Als de energieproblemen in het Westen chronisch worden, kan een groter deel van de mondiale AI-werklast via de Golf worden afgehandeld dan nu wordt verwacht. De regio positioneert zich als strategische achtervang voor Amerikaanse techbedrijven die thuis tegen capaciteitsgrenzen aanlopen.

 

Voor beleggers die hun AI-exposure willen diversifiëren buiten de bekende Amerikaanse techgiganten, bieden de Golfstaten mogelijkheden. Het zijn echter geen typische technologie-investeringen. De kansen liggen vooral in de fysieke infrastructuur die nodig is om datacenters te laten functioneren in een van de meest extreme klimaten ter wereld. Waterontzilting en koelsystemen zijn cruciaal. AI-chips genereren enorme hoeveelheden warmte, en die warmte afvoeren bij buitentemperaturen van vijftig graden Celsius is een serieuze technische uitdaging. Bedrijven die gespecialiseerd zijn in omgekeerde osmose en watercirculatie profiteren hiervan. Hetzelfde geldt voor producenten van geavanceerde vloeistofkoeling en thermisch management. Daarnaast groeit de vraag naar interconnectie en transmissie. Naarmate de infrastructuur in de Golf decentraliseert om de stroombelasting te spreiden, zijn er meer hoogwaardige kabels en optische verbindingen nodig om data over de enorme campussen te transporteren.

 

De Golfstaten zullen de VS of China niet inhalen als AI-grootmacht. Hun aandeel in nieuwe GPU-installaties blijft de komende tien jaar waarschijnlijk beperkt tot vijf à tien procent van het mondiale totaal. Maar dat maakt hun rol niet minder betekenisvol. Als strategische partner van het Westen en als uitwijkmogelijkheid voor capaciteitsproblemen spelen ze een steeds belangrijkere rol in het mondiale AI-ecosysteem. De transformatie van olieleverancier naar leverancier van rekenkracht is in volle gang. Voor de Golfstaten is het een logische volgende stap in hun economische diversificatie. Voor de rest van de wereld is het een herinnering dat de AI-revolutie niet alleen draait om slimme software, maar ook om de fysieke infrastructuur die nodig is om al die rekenkracht te leveren. En op dat vlak hebben de Golfstaten troeven in handen die maar weinig andere regio’s kunnen evenaren.

 

Han Dieperink, Chief Investment Officer 

 

Disclaimer

 

Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief 

Gerelateerde artikelen

De winst doet het werk

Sinds begin juni beweegt de beurs vooral zijwaarts. Nu lijkt daar voorzichtig een einde aan te komen. De winsten van bedrijven zijn al die tijd gestegen, maar de koersen bleven bijna gelijk.

Meer lezen

Financiële steun voor topsporters

Talent alleen wint geen medailles. Zonder financiële steun voor topsporters blijft zelfs het grootste talent vaak gewoon onbenut.

Meer lezen

De Straat van Hormuz weer open.

De Straat van Hormuz gaat weer open, maar niet voor Iraanse olie. Wat betekent dit voor de olieprijs, inflatie, de Fed en beleggers?

Meer lezen

Koffie?

Verder praten over de dynamiek van vermogen. Maak hier een afspraak voor een kop koffie bij ons op kantoor of bij u thuis.

Neem contact op

Fout: Contact formulier niet gevonden.