De economische baten zijn al zichtbaar. Topman Nasser van oliegigant Aramco vertelde onlangs dat zijn bedrijf zes miljard dollar heeft bespaard door AI toe te passen in meer dan vijfhonderd verschillende werkprocessen. Analyses die voorheen weken duurden, worden nu in uren afgerond. Nasser omschrijft Aramco inmiddels als een technologiebedrijf dat energie levert, niet andersom.
Qatar heeft samen met vermogensbeheerder Brookfield een joint venture opgezet die tot twintig miljard dollar wil investeren in AI-infrastructuur. Saudi-Arabië heeft via HUMAIN, een platform gesteund door het Public Investment Fund, meer dan veertig miljard dollar aan AI-gerelateerde investeringen toegezegd als onderdeel van Vision 2030. Het doel is om binnen tien jaar zes gigawatt aan datacentercapaciteit te realiseren. Abu Dhabi heeft MGX gelanceerd, een investeringsvehikel gericht op AI en halfgeleiders, dat op termijn zo’n honderd miljard dollar aan vermogen wil beheren.
Het meest concrete bewijs van deze ambities is de Stargate-deal. Deze samenwerking tussen het Emiratische G42 en Amerikaanse bedrijven als OpenAI, NVIDIA, Oracle en SoftBank omvat een datacampus van vijf gigawatt aan rekencapaciteit, verspreid over ruim 25 vierkante kilometer. Het wordt daarmee de grootste AI-faciliteit buiten de Verenigde Staten.
Kiezen voor Amerika
De Golfstaten hebben met deze deals een duidelijke keuze gemaakt: ze scharen zich achter de Verenigde Staten in de technologische rivaliteit met China. Die keuze was niet vrijblijvend. De Amerikaanse overheid keurde de levering van geavanceerde chips aan de VAE pas goed nadat G42 had toegezegd om Chinese technologie uit zijn systemen te verwijderen en de samenwerking met Huawei te beëindigen. De Golf wordt zo steeds steviger verankerd in het Amerikaanse chipecosysteem, terwijl China een potentieel lucratieve exportmarkt verliest.
Voor Washington heeft deze constructie duidelijke voordelen. De Golfstaten financieren een groot deel van de dure infrastructuur zelf, terwijl Amerikaanse techbedrijven de controle behouden over de software, de AI-modellen en de beveiligingslagen. Het is een symbiose waarbij beide partijen profiteren: de Golf krijgt toegang tot de beste chips en Amerika krijgt kapitaalkrachtige partners die helpen om de wereldwijde vraag naar rekenkracht te accommoderen.
De Verenigde Staten lopen tegen hun grenzen voor wat betreft stroomverbruik aan. Datacenters verbruiken nu al ongeveer vijf procent van de nationale elektriciteit, goed voor zo’n vijftig gigawatt aan capaciteit. Dat aandeel groeit explosief. Volgens schattingen is tegen 2028 ongeveer 44 gigawatt aan extra capaciteit nodig voor nieuwe datacenters. Het probleem is dat slechts 25 gigawatt daarvan realistisch kan worden geleverd. Er ontstaat dus een structureel tekort van negentien gigawatt, ruim veertig procent van de vraag.
De oorzaak ligt niet alleen bij een gebrek aan opwekcapaciteit. Het Amerikaanse stroomnet is verouderd en de verbindingen om elektriciteit te transporteren schieten tekort. Naar schatting gaat jaarlijks twee tot 2,4 petawattuur aan schone energie verloren omdat het simpelweg niet op de juiste plek kan worden geleverd. De wachtrij voor aansluiting op het net bevat inmiddels projecten van 2.600 gigawatt, meer dan het dubbele van de huidige geïnstalleerde capaciteit in heel Amerika. De bottleneck zit niet in de bereidheid van ontwikkelaars, maar in vergunningen en fysieke aansluitingen.
PJM Interconnection, het grootste stroomnet van de VS dat dertien staten en Washington DC bedient, heeft gewaarschuwd dat er op korte termijn simpelweg geen nieuwe capaciteit beschikbaar is voor grote afnemers. De spanningen zijn het grootst in juist die regio’s waar de meeste datacenters staan: Noord-Virginia, Texas en Georgia.