Elk jaar in maart vergaderen de belangrijkste politieke organen van China. Eerst het Politiek Adviesorgaan, gevolgd door het Nationaal Volkscongres. Dit jaar zijn die bijeenkomsten extra belangrijk. China presenteert niet alleen de economische doelstellingen voor 2026, maar ook het nieuwe Vijfjarenplan voor de periode 2026 tot en met 2030. Dat plan is meer dan een beleidsdocument. Het is een blauwdruk voor hoe China de komende vijf jaar wil omgaan met trage groei, technologische concurrentie met de Verenigde Staten, een vergrijzende bevolking en een vastgoedmarkt die nog altijd kwetsbaar is.
Het plan telt 141 pagina’s en noemt kunstmatige intelligentie meer dan vijftig keer. Dat alleen al zegt genoeg over de richting die Beijing inslaat. De ambitie is breed: China wil AI inzetten in de zorg, het onderwijs, de logistiek en de industrie. Maar achter de grote woorden zijn er ook concrete keuzes over groei, begrotingsbeleid, consumptie en de rol van de overheid in de economie.
Groeidoel: iets onder de vijf procent
De verwachting is dat China de economische groeidoelstelling voor 2026 vaststelt op iets onder de vijf procent. Dat is het laagste streefcijfer in 35 jaar, maar het weerspiegelt een bewuste keuze voor stabiliteit boven snelle groei. Pekings beleidsmakers willen rust uitstralen, maar houden tegelijkertijd ruimte voor bijsturing als de binnenlandse vraag tegenvalt. Provinciale besturen geven al een voorzichtiger signaal: de meeste Chinese provincies hebben hun eigen groeidoelen met een half procentpunt verlaagd ten opzichte van vorig jaar. Kustprovincies zoals Guangdong mikken soms op een bandbreedte van 4,5 tot 5 procent.
De inflatiedoelstelling blijft waarschijnlijk op twee procent staan. Overcapaciteit in meerdere sectoren en zwakke consumptievraag zorgen ervoor dat de prijzen nauwelijks stijgen. De Chinese handelsoverschot groeide in 2025 met 20 procent naar een recordbedrag van 1,2 biljoen dollar. Dat laat zien dat China zijn fabrieken volop laat draaien, terwijl de eigen bevolking relatief weinig koopt.
AI als economisch fundament
Het meest opvallende aan het nieuwe Vijfjarenplan is de centrale rol van kunstmatige intelligentie. De overheid lanceert een breed ‘AI+ actieplan’ dat de technologie in vrijwel alle sectoren van de economie moet integreren. Denk aan AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren in de zorg en het onderwijs, aan robots die werk overnemen in sectoren waar arbeidstekorten ontstaan door de vergrijzing, en aan slimme fabrieken die productiviteit verhogen zonder meer mensen in dienst te nemen.
China erkent daarmee openlijk wat demografische cijfers al lang laten zien: het land vergrijst snel en kan niet langer rekenen op een grote, goedkope beroepsbevolking als groeimotor. AI en robotica moeten dat gat opvullen. Humanoids, robots die bewegen en leren zoals mensen, worden expliciet genoemd als prioriteit. Hetzelfde geldt voor kwantumtechnologie, 6G-communicatie, herbruikbare raketten en kernfusie. Dit zijn geen vage beloftes. Provincies als Guangdong en Zhejiang vertalen deze ambities al in harde onderzoeks- en ontwikkelingsbudgetten.
Opvallend is ook de nadruk op open-source AI. Waar de Verenigde Staten grote gesloten modellen bouwen achter commerciële muren, kiest China bewust voor een open aanpak. De overheid wil open-source gemeenschappen ondersteunen en zo een breder ecosysteem van ontwikkelaars opbouwen. Analisten zien dit als een strategisch verschil met Washington: China gokt erop dat brede toegang tot AI-tools uiteindelijk leidt tot snellere innovatie en grotere adoptie, zowel in eigen land als in de landen die deelnemen aan de Nieuwe Zijderoute.
Industrie: inzetten op nieuwe sectoren
China wil niet langer de goedkope fabriek van de wereld blijven. Het Volkscongres benadrukt opnieuw dat innovatie de motor moet worden van economische groei. Sectoren als nieuwe energie, nieuwe materialen, lucht- en ruimtevaart en het luchtruim tot ongeveer 1000 meter hoogte, het domein van drones, vliegende taxi’s en kleine vliegtuigen, worden aangewezen als strategische groeigebieden.
Tegelijkertijd worstelt China met een probleem dat het zelf heeft gecreëerd: overproductie. In sectoren als zonnepanelen, staal en olie hebben Chinese bedrijven zoveel capaciteit opgebouwd dat prijzen onder druk staan en verliezen oplopen. De overheid lanceerde halverwege 2025 een zogenaamde anti-involutiecampagne om dit aan te pakken, maar de resultaten zijn vooralsnog beperkt. Verliezen bij zonnepanelenfabrikanten zijn dieper geworden, en er zijn vraagtekens bij de vraag of staalproducenten hun output werkelijk hebben teruggedrongen. Harde productiedoelen ontbreken nog. De aanpak blijft gericht op beleidsdruk en vrijwillige discipline, wat tijd kost.
Grondstoffen spelen in dit verhaal een aparte rol. China beschikt over een dominante positie in kritieke mineralen en zeldzame aardmetalen, en heeft dat wapen in 2025 nadrukkelijk ingezet als reactie op de handelspolitiek van de Trump-administratie. Het nieuwe Vijfjarenplan zal die positie verder versterken, via strengere exportcontroles of een grotere rol voor strategische voorraden. Elke aankondiging op dat vlak kan direct prijseffecten hebben op wereldmarkten.
Consumptie: de binnenlandse vraag moet omhoog
Een van de grootste uitdagingen voor China is de relatief lage consumptie van huishoudens. Slechts 38 tot 40 procent van het bruto binnenlands product wordt besteed door gewone burgers. Ter vergelijking: het wereldgemiddelde ligt op 57 procent, en in de Europese Unie zijn sociale overdrachten via uitkeringen, zorg en onderwijs goed voor bijna 30 procent van het bbp, tegenover 13 procent in China. Dat verschil is geen toeval. Het Chinese systeem is jarenlang bewust ingericht om industrie en bedrijven te bevoordelen boven huishoudens: kunstmatig lage spaarrentes, beperkte arbeidsrechten voor laaggeschoolden en een belastingstelsel dat lage inkomens relatief zwaar treft.
Beijing wil dat aandeel consumptie omhoog, maar is terughoudend met grote stimuleringspakketten. De aanpak blijft gericht en selectief. Verwacht worden maatregelen zoals subsidies voor het inruilen van oude producten zoals witgoed en auto’s, extra investeringen in kinderopvang, ouderenzorg en onderwijs, en het versoepelen van regels rond de aankoop van woningen en auto’s. Dat zijn geen kleine bedragen: het gaat om honderden miljarden renminbi. Maar een fundamentele verschuiving waarbij inkomens structureel stijgen, laat waarschijnlijk nog even op zich wachten. Critici stellen dat de overheid met woorden belooft te investeren in consumenten, maar met daden blijft kiezen voor industrie.
Begrotingsbeleid en schulden
Het Chinese ministerie van Financiën heeft meerdere keren aangekondigd dat 2026 een jaar wordt van actiever begrotingsbeleid. In de praktijk betekent dit dat het begrotingstekort op of rond de vier procent van het bbp blijft, aangevuld met extra obligatie-uitgiften van de overheid. Het geld gaat dit jaar meer dan voorheen naar consumptieondersteuning en technologische vernieuwing, en minder naar grootschalige infrastructuurprojecten. De aanleg van nieuwe snelwegen en spoorlijnen heeft zijn beste tijd gehad.
De vastgoedmarkt blijft een kwetsbaar punt. Het beleid is gericht op stabilisatie: geen brede stimulering via krediet, maar gerichte steun voor de verkoop van bestaande woningen en stedelijke vernieuwing. Tegelijkertijd worstelen veel lokale overheden met hoge schulden. Herfinancieringsprogramma’s verminderen de directe druk, maar betekenen ook dat er minder geld beschikbaar is voor nieuwe investeringen. Dat remt de economische stimulans op korte termijn.
Monetair beleid en kapitaalmarkten
De Chinese centrale bank voert een gematigd ruim beleid en heeft nog speelruimte om de rente verder te verlagen en banken meer ruimte te geven om uit te lenen. In 2025 verlaagde de centrale bank al de reserveverplichtingen voor banken en de korte rente. De twee voornaamste obstakels voor verder beleid, druk op de Chinese munt en dalende winstmarges bij banken, zijn minder acuut geworden. Dat maakt verdere stappen mogelijk in 2026.
Tegelijkertijd werkt China aan volwassener kapitaalmarkten. Regelgevers stimuleren beleggers om langer in aandelen te blijven zitten. Vanaf 1 januari 2026 zijn nieuwe regels ingegaan die kosten voor fondsbeleggers verlagen: wie zijn fondsaandelen langer dan een jaar aanhoudt, betaalt geen verkoopvergoeding meer. De bedoeling is dat minder kortetermijnhandel zorgt voor stabielere en diepere aandelenmarkten op de lange termijn. Het is een kleine maar symbolisch belangrijke stap richting een financieel systeem dat minder draait op speculatie en meer op langetermijnbeleggen.
China kiest bewust voor gerichte investeringen in innovatie, binnenlandse consumptie en schuldafbouw. Enerzijds blijft het kortetermijnplaatje gematigd: groeicijfers van rond de vijf procent zijn respectabel, maar de risico’s van aanhoudende deflatie, overproductie en een fragiele vastgoedmarkt zijn nog niet voorbij. De handelsspanningen met de Verenigde Staten vormen een extra onzekere factor die de komende jaren niet zal verdwijnen. Anderzijds biedt het Vijfjarenplan duidelijke thematische richtingen die op langere termijn kansen bieden. Schone energie, AI-infrastructuur, robotica, kwantumtechnologie en consumentendiensten zijn de sectoren waar Beijing zijn geld op inzet. De vraag is welke bedrijven het meeste profiteren van een overheid die voor de komende vijf jaar haar prioriteiten op papier heeft gezet.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via
www.aureus.eu/nieuwsbrief