Een Nederlands unicum
Het meest opvallende aan het Nederlandse voorstel is hoe uniek het is – en niet op een goede manier. Er zijn geen vergelijkbare landen die een vermogensaanwasbelasting kennen zoals Nederland die nu voorstelt. We gaan dus niet alleen tegen de internationale stroom in, maar zwemmen ook nog eens bergopwaarts. De nieuwe regeling draait om twee pijlers: een vermogensaanwasbelasting voor de meeste bezittingen en een vermogenswinstbelasting voor vastgoed en startende ondernemingen. Beide systemen brengen hun eigen complexiteit met zich mee, maar de vermogensaanwasbelasting is werkelijk problematisch.
Belasting betalen over geld dat je niet hebt
Het grootste probleem van de vermogensaanwasbelasting is dat belastingplichtigen belasting moeten betalen over ongerealiseerde waardestijgingen. Stel je koopt aandelen voor €100.000, ze stijgen naar €160.000 en zakken vervolgens terug naar €120.000. Je betaalt belasting over €60.000 winst die je nooit hebt gehad, terwijl je uiteindelijk maar €20.000 vooruit bent gegaan. Dit dwingt beleggers tot verkoop puur om belasting te kunnen betalen – niet uit strategische overwegingen, maar uit fiscale nood. Voor langetermijnbeleggers, die juist de ruggengraat vormen van een gezonde kapitaalmarkt, is dit desastreus. Meer dan 15% van een portefeuille kan zomaar moeten worden verkocht om de belastingrekening te voldoen.
Inflatie? Welke inflatie?
Een fundamenteel bezwaar dat al jaren wordt geuit, is het negeren van inflatie. Het nieuwe systeem houdt daar nog steeds geen rekening mee. Bij een inflatie van 8% en een rendement van 6% wordt er vrolijk belasting geheven over die 6%, terwijl de werkelijke koopkracht is gedaald. In tijden van hoge inflatie – zoals we in 2022 hebben meegemaakt met 10% – betekent dit dat beleggers in koopkracht achteruitgaan én daar ook nog eens belasting over betalen. Dit is niet alleen onrechtvaardig, maar tast het eigendomsrecht fundamenteel aan.
Meer complexiteit
De administratieve gevolgen zijn adembenemend. Het kabinet erkent zelf dat 400.000 extra mensen aangifte zullen moeten doen. Ja, de meesten kunnen ‘volstaan’ met het controleren van vooringevulde gegevens, maar iedereen met buitenlandse rekeningen, onroerend goed of niet-beursgenoteerde aandelen krijgt te maken met een significante toename van administratieve lasten. Volgens een advies van de Raad van State vraagt de fiscus straks te veel van het doe-vermogen van de Nederlandse burger. Nog meer regels dus. Het systeem van stortingen en onttrekkingen – overgenomen uit het ondernemingsrecht – maakt alles nog ingewikkelder. Elke euro die van je spaarrekening naar je effectenrekening gaat, moet worden geregistreerd en verwerkt. Elke aankoop, elke dividenduitkering, elke koerswijziging moet nauwkeurig worden bijgehouden. Voor particuliere beleggers wordt dit een bijna ondoenlijke opgave.
De belastingdienst kan het niet aan
Wat misschien nog wel het meest zorgwekkende is: de Belastingdienst geeft zelf toe dat ze het niet aankunnen. In de toelichting staat expliciet dat men rekening houdt met “minder goede dienstverlening, beperkte mogelijkheden tot vooroverleg en onvoldoende toezicht” gedurende drie tot vijf jaar na invoering. Als de uitvoerder van de wet al bij voorbaat toegeeft dat het niet gaat lukken, waarom voeren we deze wet dan in? De Belastingdienst, die nu al kampt met personeelstekorten en systemen die vastlopen, moet opeens complexe waarderingen uitvoeren, vermogensstromen volgen en duizenden extra controles doen.
Verkeerde prikkels, ongewenste effecten
Het nieuwe systeem creëert een reeks perverse prikkels. Beleggen in aandelen wordt minder aantrekkelijk omdat daarop jaarlijks belasting moet worden betaald, terwijl vastgoed pas bij verkoop wordt belast. Dit zal geld van de aandelenmarkt naar de vastgoedmarkt duwen – precies het tegenovergestelde van wat Nederland nodig heeft voor innovatie en economische groei. Bovendien wordt fiscale emigratie aantrekkelijker. Vermogenden die nu nog twijfelen of ze Nederland moeten verlaten, krijgen met dit systeem een extra zetje richting de uitgang. Voor een land dat al kampt met braindrain is dit geen verstandige keuze.
Het kabinet houdt vast aan 1 januari 2028 als invoeringsdatum, maar plaatst daar zoveel voorwaarden bij dat je je afvraagt of ze er zelf wel in geloven. Het wetsvoorstel moet voor 15 maart 2026 door de Tweede Kamer, er mogen geen ingrijpende wijzigingen komen, en de Hoge Raad mag geen nieuwe arresten wijzen die tot aanpassingen leiden. Die laatste voorwaarde is bijzonder precair, omdat er nog steeds procedures lopen over het huidige box 3-systeem. Een enkel arrest kan het hele tijdschema om zeep helpen.
Een gemiste kans
Het is begrijpelijk dat het kabinet wilde breken met het forfaitaire systeem na de vele rechtszaken. Maar in plaats van te kiezen voor een eenvoudig, werkbaar systeem dat aansluit bij internationale praktijken, heeft Nederland opnieuw gekozen voor een eigen koers die niemand begrijpt en niemand wil kopiëren. Een simpele vermogenswinstbelasting – waarbij pas bij verkoop belasting wordt geheven – zou veel van deze problemen hebben voorkomen.
Economisch gezien zou de beste oplossing het volledig afschaffen van box 3 zijn. Met een jaarlijkse opbrengst van ongeveer 4 miljard euro op een economie van 1000 miljard euro is de vraag gerechtvaardigd of deze belasting wel de moeite waard is. Elke procentpunt economische groei levert immers ongeveer 0,4 procentpunt extra belastinginkomsten op. Als afschaffing van de vermogensbelasting zorgt voor 1 procent extra groei – wat zeer realistisch is – dan compenseert dat de gederfde inkomsten ruimschoots. Bovendien wijken nu al veel vermogenden uit naar landen zonder vermogensbelasting. Complete afschaffing zou een toestroom van vermogende particulieren naar Nederland kunnen bewerkstelligen die de economische groei en vooral het investeringsklimaat verder stimuleert. In het Europa zonder grenzen is kapitaal mobiel, en Nederland zou hiervan kunnen profiteren in plaats van vermogen weg te jagen.
Politiek is afschaffing echter onhaalbaar – ondanks dat geen enkele partij enthousiast is over de huidige voorstellen. Toch zouden de complexiteit en inningskosten op zich al voldoende argument moeten zijn om te stoppen met deze belasting.
Conclusie: Leuker kunnen we het maken
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 lost de fundamentele problemen van het huidige systeem niet op, maar voegt er alleen nieuwe bij toe. De complexiteit neemt exponentieel toe, de uitvoerbaarheid staat ter discussie, en de economische effecten zijn grotendeels negatief.
Nederland verdient een box 3-systeem dat werkbaar is voor burgers, uitvoerbaar voor de Belastingdienst en economisch zinvol voor het land. Dit wetsvoorstel voldoet aan geen van deze criteria. De beste oplossing – complete afschaffing – is politiek onhaalbaar, maar het kabinet zou er verstandig aan doen om terug naar de tekentafel te gaan en te kiezen voor eenvoud in plaats van complexiteit, voor werkbaarheid in plaats van juridische perfectie. Anders is de kans is groot dat we over een paar jaar opnieuw vaststellen dat het systeem niet werkt en weer een nieuwe hervorming nodig hebben. Of dat we kunnen stoppen met box 3 omdat een groot deel van de vermogenden straks om fiscale redenen emigreert. Het feit dat de fiscus dan een conserverende aanslag gaat opleggen de tweede woning in Spanje lijkt op voorhand al te sneuvelen bij het Europese Hof. Het enige pluspunt voor beleggers vanaf 2028 is wel dat de kosten van vermogensbeheer straks mogen worden afgetrokken van het rendement.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief
Voor tussentijdse updates, volg Auréus op Linkedin