Op 12 februari 2026 stemde de Tweede Kamer in met de Wet werkelijk rendement box 3. Negentig van de honderdvijftig Kamerleden stemden voor. Vanaf 2028 wordt vermogen in box 3 niet langer belast op basis van een fictief rendement, maar op basis van het werkelijke rendement. Het oude stelsel, waarin belasting werd geheven over een verondersteld rendement van vier procent, hield geen stand bij de rechter. De dubbele fictie van verondersteld rendement én veronderstelde vermogensverdeling leidde tot het Kerstarrest van december 2021, miljarden aan compensatie en een noodreparatie die de schatkist jaarlijks ruim twee miljard euro kost.Vrijwel alle fracties stemden met lange tanden in. Veel Kamerleden bestempelden het voorstel als een tussenstap. Nog voor de eindstemming legde een meerderheid van 76 zetels vast dat het volgende kabinet uiterlijk bij het Belastingplan 2029 moet komen met een voorstel voor een volledige vermogenswinstbelasting. Dat zegt veel over de kwaliteit van wat er nu voorligt. Hieronder de tien grootste bezwaren.
- Belasting over papieren winsten
Het meest fundamentele bezwaar betreft de unieke en uitzonderlijke vermogensaanwasbelasting. Voor liquide beleggingen zoals aandelen, obligaties en crypto wordt jaarlijks maar liefst 36 procent belasting geheven over de waardestijging, ook als er niets is verkocht. Een belegger die zijn portefeuille ongewijzigd laat, kan in een goed beursjaar een forse belastingaanslag ontvangen zonder dat er cash beschikbaar is. Een portefeuille die acht procent in waarde stijgt, kost de belegger per duizend euro al 28,80 euro aan belasting over winst die alleen op papier bestaat. Dit ondermijnt lange-termijnbeleggen en kan beleggers dwingen om posities te verkopen uitsluitend om de belasting te betalen.
- Sparen wordt gestimuleerd, beleggen ontmoedigd
Nederland is al een land van spaarders. Met bijna vierhonderd miljard euro op spaarrekeningen behoort de Nederlandse spaarquote tot de hoogste van Europa. Vanuit economisch perspectief is dat niet per se gunstig: geld dat op een spaarrekening staat, draagt nauwelijks bij aan productieve investeringen, innovatie of economische groei. Het nieuwe box 3-stelsel versterkt deze scheefgroei. De spaarder betaalt 36 procent over de ontvangen rente. Bij twee procent rente is dat 7,20 euro per duizend euro spaargeld. De belegger daarentegen wordt geconfronteerd met jaarlijkse heffingen over koersbewegingen die hij niet heeft gerealiseerd. De impliciete boodschap van de wetgever is helder: sparen is veilig, beleggen is riskant. Dat is precies de verkeerde prikkel in een tijd waarin vermogensopbouw via beleggingen voor veel Nederlanders de enige manier is om de koopkracht op lange termijn te beschermen tegen inflatie.
- De kleine belegger is de grote verliezer
In de publieke communicatie rond de nieuwe wet wordt geruststellend gemeld dat de eerste 60.000 euro aan vermogen belastingvrij blijft. Dat is echter alleen waar bij een rendement van drie procent. Het nieuwe stelsel vervangt namelijk de huidige vermogensvrijstelling van ruim 57.000 euro door een heffingsvrij resultaat van 1.800 euro per belastingplichtige. Bij een rendement van zes procent is nog slechts 30.000 euro effectief vrijgesteld, bij negen procent nog maar 20.000 euro. De kleine spaarder die twee procent rente ontvangt, profiteert tot een vermogen van 90.000 euro van de vrijstelling. De kleine belegger die een goed jaar heeft, betaalt vanaf een veel lager vermogen al mee. De verschuiving van een vermogensvrijstelling naar een rendementsvrijstelling bestraft dus juist degenen die bereid zijn risico te nemen met hun vermogen. Dat is niet alleen onrechtvaardig, het is ook economisch contraproductief.
- Belasting op verliesherstel
Het nieuwe stelsel kan leiden tot belastingheffing over rendement dat economisch gezien geen winst is. De wetgever hanteert 1 januari 2028 als startdatum. Wanneer een effectenportefeuille daarna herstelt tot het niveau van de oorspronkelijke investering na eerdere verliezen, wordt dat herstel fiscaal aangemerkt als belastbare groei. De belegger heeft per saldo niets verdiend, maar moet wel afrekenen met de fiscus.
- Het hybride karakter zorgt voor ongelijkheid
Het nieuwe stelsel kent twee regimes naast elkaar: een vermogensaanwasbelasting voor liquide beleggingen en een vermogenswinstbelasting voor onroerend goed en aandelen in startups. Wie belegt in aandelen betaalt jaarlijks over ongerealiseerde winsten, terwijl de vastgoedbelegger pas bij verkoop afrekent. Die tweedeling is principieel discutabel en nodigt uit tot fiscaal gedreven allocatiebeslissingen die niets met rendement te maken hebben. Volgens ramingen van het ministerie van Financiën levert een stelsel volledig gebaseerd op vermogenswinst minder op dan een heffing op jaarlijkse aanwas. Deze hybride constructie is dus vooral een budgettair compromis.
- Liquiditeitsproblemen zonder doorschuifregelingen
De jaarlijkse afrekening over koersbewegingen kan tot serieuze liquiditeitsproblemen leiden. Beleggers moeten mogelijk een deel van hun portefeuille verkopen om de belasting te kunnen voldoen. Dat heeft. Invloed op de financiële markten, vooral in lokale aandelen met een beperkte liquiditeit waarin veel particuliere beleggers zitten. Een overlijden, echtscheiding of schenking kan leiden tot directe belastingheffing zonder dat er liquide middelen beschikbaar zijn. Ook vermogen dat vastzit in onroerend goed of langetermijnbeleggingen, kan gedwongen worden bezittingen te verkopen. Het nieuwe stelsel biedt geen doorschuifregelingen voor deze situaties.
- Vastgoedbeleggers en de terugkeer van de fictie
Voor onroerend goed geldt weliswaar een vermogenswinstbelasting, maar de voorgestelde forfaitaire vastgoedbijtelling van 3,35 procent over de WOZ-waarde voor niet-verhuurde woningen kan leiden tot belasting over theoretische inkomsten die niet bestaan. Een woning die leegstaat, tijdelijk onbewoonbaar is of niet verhuurd kan worden, levert geen huurinkomsten op, maar wordt fiscaal wel belast alsof dat het geval is. Ironisch genoeg introduceert de Wet werkelijk rendement hier opnieuw een fictie, precies het euvel dat het nieuwe stelsel zou moeten verhelpen. Vooral particuliere beleggers met een beperkt aantal panden worden hierdoor onevenredig geraakt.
- Complexiteit en uitvoerbaarheid
Hoewel banken en financiële instellingen een deel van de gegevens zullen aanleveren, zal de aangifte voor miljoenen particulieren aanzienlijk complexer worden. Ook binnen de Kamer bestaan zorgen over de uitvoeringslasten bij de Belastingdienst, de benodigde aanpassing van ICT-systemen en de extra inzet van ambtenaren. De regels voor in het buitenland aangehouden vermogen moeten bovendien nog worden opgesteld, evenals de fiscale gevolgen van emigratie en immigratie.
- Het stelsel is bij invoering al achterhaald
Wellicht het meest veelzeggende bezwaar is dat de Tweede Kamer, nog vóór de eindstemming, al heeft vastgelegd dat het kabinet uiterlijk bij het Belastingplan 2029 met een nieuw voorstel moet komen. Dat betekent dat het stelsel mogelijk slechts één volledig belastingjaar meemaakt voordat de volgende verbouwing begint. Voor beleggers die behoefte hebben aan stabiliteit en voorspelbaarheid is dit een buitengewoon onbevredigend perspectief.
- De budgettaire druk overheerst de kwaliteit
Veel van deze bezwaren zijn bekend bij wetgever en uitvoerder. Toch gaat het stelsel door, primair omdat het huidige tijdelijke regime de schatkist jaarlijks ruim twee miljard euro kost en juridisch kwetsbaar is na het Kerstarrest. De politieke keuze was in feite beperkt: dit gebrekkige voorstel of een nog duurder vacuüm. Dat is begrijpelijk vanuit begrotingsperspectief, maar het leidt tot wetgeving de niet vanwege haar kwaliteiten wordt aangenomen. Het ontbreken van een inflatiecorrectie is daarvan slechts het zoveelste voorbeeld.
De tien bezwaren hierboven laten zien dat het nieuwe regime fundamentele weeffouten bevat. Het belast papieren winsten, ontmoedigt beleggen in een land dat al te veel spaart, bestraft kleine beleggers die bereid zijn risico te nemen, en introduceert bij vastgoed opnieuw de ficties die het juist wilde afschaffen. Voor beleggers betekent dit bovenal dat fiscaliteit in Nederland een bewegend doelwit blijft. Dat is op zichzelf misschien wel het grootste bezwaar van allemaal.
Een bescheiden voordeel is dat de kosten van vermogensbeheer voortaan aftrekbaar zijn, wat betekent dat de definitie daarvan kan worden opgerekt. Een eerste voorzet: de kosten voor vermogensbeheer in de meest brede zin omvatten alle vergoedingen en honoraria aan professionele dienstverleners en alle andere kosten die direct of indirect verband houden met het adviseren over, plannen van, structureren van, beheren van, administreren van, bewaren van, verwerven van, behouden van of realiseren van rendement op vermogensbestanddelen, waaronder de honoraria van vermogensbeheerders, beleggingsadviseurs, financieel planners, family office dienstverleners, accountants, belastingadviseurs, fiscalisten, notarissen, advocaten, makelaars, taxateurs, trustees, juridisch adviseurs, estate planners, pensioenadviseurs en andere financiële dienstverleners die betrokken zijn bij vermogensopbouw. Leuker kunnen we het niet maken, wel complexer.
Han Dieperink, Chief Investment Officer
Disclaimer
Abonneer op deze nieuwsbrief via
www.aureus.eu/nieuwsbrief