AI-zeepbel of de vierde industriële revolutie

07 november 2025

4e revolutie

De parallellen met eerdere industriële revoluties dringen zich op wanneer we de huidige AI-transformatie analyseren. Net zoals de stoommachine in de 18e eeuw en elektriciteit in de late 19e eeuw fundamentele verschuivingen teweegbrachten, staan we mogelijk aan de vooravond van een vergelijkbare omwenteling. Maar is deze vergelijking terecht, of is het niet meer dan een financiële zeepbel?

 

De tweede industriële revolutie, die zich voltrok tussen 1870 en 1914, transformeerde de samenleving door massaproductie, elektrificatie en de opkomst van de massaproductie. Deze periode zag een hogere productiviteitsgroei van gemiddeld 2,8% per jaar en een verdubbeling van het reële inkomen per hoofd van de bevolking in veel westerse landen. Belangrijk is dat deze revolutie niet leidde tot massawerkloosheid, ondanks de angsten van tijdgenoten. In plaats daarvan ontstonden nieuwe beroepen: van telefoonoperator tot automobielarbeider, van elektricien tot typiste.

Wat we nu meemaken met AI vertoont opvallende overeenkomsten. De productiviteitswinsten beginnen zichtbaar te worden: bedrijven rapporteren efficiëntieverhogingen van 20-40% in specifieke taken zoals programmeren, contentcreatie en data-analyse. McKinsey schat dat generatieve AI jaarlijks $2,6 tot $4,4 biljoen aan economische waarde kan toevoegen. Dit komt overeen met het toevoegen van een economie ter grootte van het Verenigd Koninkrijk aan de wereldeconomie.

 

Het fundamentele verschil ligt echter in de aard van de transformatie. Waar eerdere revoluties fysieke arbeid mechaniseerden, richt AI zich op cognitieve taken. Voor het eerst in de geschiedenis wordt niet spierkracht maar denkkracht geautomatiseerd. Dit verklaart waarom economische modellen suggereren dat we een kantelpunt naderen: wanneer ongeveer 60-70% van economisch waardevolle taken door AI kan worden uitgevoerd, volgens berekeningen van MIT-onderzoekers, verandert de fundamentele economische vergelijking.

De deflatoire schokgolf

De initiële impact van AI-adoptie zal waarschijnlijk sterk deflationair zijn, een patroon dat we kennen uit de geschiedenis. Tijdens de introductie van een van de eerste massaprodcutielijnen daalde de prijs van een Ford Model T van $825 in 1908 naar $260 in 1925 – een prijsdaling van 68% terwijl de kwaliteit verbeterde. Vandaag zien we vergelijkbare dynamieken in AI-geïntensiveerde sectoren.

 

Neem de software-industrie. Het ontwikkelen van een complexe applicatie kostte vijf jaar geleden gemiddeld $500.000 en zes maanden ontwikkeltijd. Met AI-assistentie rapporteren bedrijven kostendaling van 40-60% en tijdsbesparing tot 70%. Deze efficiëntiewinsten vertalen zich direct in lagere prijzen voor eindgebruikers. Microsoft’s GitHub Copilot verhoogt de productiviteit van programmeurs met 55%, wat de kosten van softwareontwikkeling fundamenteel herstructureert.

 

De deflatoire druk strekt zich uit tot de dienstensector. Juridische documenten die advocaten vroeger $1.000 kostten om op te stellen, kunnen nu voor $50 worden gegenereerd met AI-tools. Vertaaldiensten zijn 90% goedkoper geworden. Grafisch ontwerpwerk dat dagen duurde, gebeurt nu in minuten. Dit is geen marginale kostendaling, maar transformatief, het verandert de economie van hele sectoren.

 

Het mechanisme achter deze deflatie is veelzijdig. Ten eerste is er de directe kostenbesparing door automatisering. Ten tweede ontstaat er intensievere concurrentie wanneer toetredingsbarrières dalen, kleine bedrijven kunnen nu diensten aanbieden die vroeger het domein waren van grote consultancyfirma’s. Ten derde is er het ‘overvloedeffect’: wanneer de marginale kosten van productie naar nul tenderen, zoals bij digitale content, ontstaat structurele prijsdruk.

 

De Europese Centrale Bank modelleert scenario’s waarin AI-adoptie de inflatie met 1-2 procentpunten drukt over een periode van vijf jaar. Dit zou centrale banken dwingen hun rentebeleid te heroverwegen. Japan’s ervaring met technologie-gedreven deflatie in de jaren ’90 dient als waarschuwing: productiviteitswinsten zonder vraagstimulering kunnen leiden tot een deflatoire spiraal.

De inflatoire tegengolf

Maar geschiedenis leert ons ook dat na de initiële deflatoire schok vaak een inflatoire periode volgt. Dit gebeurde tijdens de tweede industriële revolutie: na de deflatie van 1873-1896 volgde een periode van gestage inflatie tot 1920. De mechanismen die toen speelden, zijn nu ook mogelijk.

 

Ten eerste is er het inkomenseffect. Wanneer producten goedkoper worden, stijgt de koopkracht. Consumenten die vroeger $100 per maand aan software uitgaven, hebben nu $50 over voor andere uitgaven. Deze vrijgekomen koopkracht zoekt nieuwe bestemmingen, wat de vraag in andere sectoren opstuwt. Historische data toont aan dat elke dollar bespaard door technologische efficiëntie typisch voor 60-80 cent wordt herbesteed aan nieuwe consumptie.

 

Ten tweede ontstaan er nieuwe behoeften en markten. De automobielrevolutie maakte transport goedkoper, maar creëerde ook vraag naar snelwegen, benzinestations, motels en buitenwijken. Vergelijkbaar creëert AI nieuwe vraagcategorieën: gepersonaliseerde educatie, virtuele assistenten en ervaringen op het gebied van toegevoegde realiteit. Goldman Sachs schat dat de ‘AI-economie’ tegen 2030 $1,5 biljoen zal omvatten in volledig nieuwe productcategorieën die vandaag niet bestaan.

 

Ten derde is er de arbeidsmarktdynamiek. Paradoxaal genoeg kan AI-adoptie op termijn tot loonstijgingen leiden. Werknemers die AI effectief gebruiken worden productiever en dus waardevoller. Data van het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics toont aan dat beroepen met hoge AI-complementariteit gemiddeld 15% hogere loongroei zien dan traditionele functies. Deze loondruk kan inflatoir werken, vooral in sectoren waar menselijke expertise onvervangbaar blijft.

De monetaire uitdaging

Centrale banken worstelen met deze dualiteit. De Federal Reserve ontwikkelt nieuwe modellen waarin AI-effecten worden meegewogen. Hun voorlopige conclusie: de natuurlijke rentevoet (R*) zal waarschijnlijk stijgen met 1-2 procentpunten wanneer AI volwassen wordt. Dit omdat het marginale product van kapitaal toeneemt, investeringen in AI-infrastructuur genereren hogere rendementen dan traditionele kapitaalgoederen.

De Bank for International Settlements waarschuwt voor een ‘AI-gedreven liquiditeitsval’: als prijzen structureel dalen door technologie terwijl centrale banken de rente laag houden om de economie te stimuleren, kunnen zeepbellen ontstaan in vermogensprijzen. We zien dit al gebeuren: ondanks deflatoire druk in goederen stijgen huizenprijzen en aandelenwaarderingen naar recordhoogtes.

 

De Chinese ervaring biedt interessante lessen. China’s agressieve AI-adoptie op het gebied van productie heeft geleid tot exportdeflatie. Chinese producten worden steeds goedkoper, maar binnenlands is er sprak van inflatie in diensten en vastgoed. Dit ’twee-snelheden’ inflatiefenomeen kan het nieuwe normaal worden: deflatie in AI-intensieve sectoren, inflatie in mens-intensieve diensten.

Naar een nieuw evenwicht

De arbeidsmarktimplicaties zijn genuanceerder dan de soms dystopische scenario’s suggereren. Historische data van het Amerikaanse Bureau of Labor Statistics toont aan dat tijdens de computerrevolutie van 1980-2000 de werkgelegenheid met 35% groeide ondanks wijdverbreide automatisering. De sleutel ligt in wat economen ‘complementariteit’ noemen: technologie vervangt niet alleen, maar creëert ook nieuwe mogelijkheden.

 

Voor de kapitaalmarkten betekent dit een herbalancering. Bedrijven die AI succesvol integreren rapporteren winstmargestijgingen van 3-5 procentpunten. Maar de waarderingsverschillen tussen AI-leiders en achterblijvers worden extremer. De S&P 500 vertoont een ongekende spreiding in waarderingen, met AI-bedrijven die handelen tegen 40x winst terwijl traditionele bedrijven op 12x blijven steken. Dat oogt als en zeepbel, maar is niet meer dan fundamenteel economische realiteit.

 

Het cruciale verschil met vorige revoluties is de snelheid. Waar de stoommachine 60 jaar nodig had voor wijdverbreide adoptie, bereikt AI binnen 5 jaar miljarden gebruikers. Deze versnelling geeft minder tijd voor economische aanpassing. Beleidsmakers experimenteren met nieuwe instrumenten: digitale belastingen, universeel basisinkomen pilots, en ‘robot-taksen’ om de transitie te managen.

 

We staan op een economisch kruispunt zonder precedent. De deflatoire krachten van AI zullen eerst domineren, met prijsdalingen in veel sectoren. Maar de geschiedenis suggereert dat inflatoire krachten uiteindelijk de overhand krijgen wanneer nieuwe vraag ontstaat en monetair beleid zich aanpast. Het navigeren van deze overgang – van deflatie naar reflatie – wordt de grootste uitdaging voor beleidsmakers sinds de Grote Depressie van de jaren dertig. Of dit leidt tot breed gedeelde welvaart of toenemende ongelijkheid hangt af van de keuzes die we nu maken. De vierde industriële revolutie is in ieder geval meer dan een financiële zeepbel.

 

Han Dieperink, Chief Investment Officer

 

Disclaimer

 

Abonneer op deze nieuwsbrief via www.aureus.eu/nieuwsbrief 

 

Gerelateerde artikelen

Een verrassende eerste ronde

Brazilië draait na Argentinië naar rechts. Wat betekent de verkiezingsuitslag voor Zuid-Amerika en voor beleggen in Brazilië?

Meer lezen

De winst doet het werk

Sinds begin juni beweegt de beurs vooral zijwaarts. Nu lijkt daar voorzichtig een einde aan te komen. De winsten van bedrijven zijn al die tijd gestegen, maar de koersen bleven bijna gelijk.

Meer lezen

De Straat van Hormuz weer open.

De Straat van Hormuz gaat weer open, maar niet voor Iraanse olie. Wat betekent dit voor de olieprijs, inflatie, de Fed en beleggers?

Meer lezen

Koffie?

Verder praten over de dynamiek van vermogen. Maak hier een afspraak voor een kop koffie bij ons op kantoor of bij u thuis.

Neem contact op

Fout: Contact formulier niet gevonden.